De januskop van het Nationale Toneel

Laura van Dolrons naïviteit behoort tot haar kwaliteiten, maar soms kan deze ook irriteren. In haar verder indrukwekkende monoloog Iemand moet het doen, die ze maakt bij het Nationale Toneel, vertelt ze over haar ongemak om bij een conservatief instituut als het Nationaal Toneel te werken. Ze hekelt het andere werk van de groep, en ze vertelt hoe ze tot haar verbazing van directeur Evert de Jager carte blanche kreeg om op kosten van het gezelschap op reis te gaan: „Het establishment bleek een aardige meneer te zijn!”

Natúúrlijk is het establishment een aardige meneer. Wat zegt dat? Ik vind de bereidheid van De Jager om subsidiegeld in Van Dolrons money belt te stoppen overigens niet per se een bewijs van zijn goede inborst. En als het Nationale Toneel je niet bevalt, ga daar dan niet werken. En verschuil je niet achter een apologie die vooral aan jezelf is gericht.

Ook is het haar ontgaan dat het Nationale Toneel twee gezichten heeft: enerzijds het gezelschap dat brave voorstellingen maakt voor de schouwburg. En anderzijds het gezelschap dat in het NT-Gebouw achter de Haagse schouwburg kleine, interessante voorstellingen brengt. Hier krijgen jonge theatermakers als Van Dolron alle vrijheid. Het kwaliteitsverschil is groot.

Susanne Kennedy, die in het NT-Gebouw de heerlijk benauwde New Electric Ballroom maakte, beschreef in een interview hoe de twee werelden elkaar tegenkwamen bij de lunch. Haar spelers zaten aan bij de spelers van de mislukte Kersentuin van Erik Vos: „Dan zitten daar die acteurs in hun jurkjes en hoedjes en paraplu’s en komen wij van boven in onze blauwe poppenkastkleren en met uitgesmeerde make-up.”

Het grote kwaliteitsverschil tussen The New Electric Ballroom en De kersentuin ligt niet zozeer in de tegenstelling experimenteel-conservatief. De regisseur moet ervoor zorgen dat de toeschouwer zijn vorm als vanzelfsprekend aanvaardt. Als de toeschouwer eenmaal in jouw wereld meegaat, pikt hij bijna alles. Kennedy toont een afgebladderde huiskamer waarin drie zusters al veertig jaar kniezen over een afwijzing. Roodharige gedrochten in een zeegroene kamer met donkere lambrisering: voordat de spelers één woord hebben gesproken aanvaard ik deze vorm. Omdat het er aantrekkelijk uitziet, de juiste verstikkende sfeer geeft, en de inhoud meteen duidelijk maakt.

Erik Vos brengt een Kersentuin zonder opmerkelijke vorm. Met één uitzondering: hij heeft enorme bruine lappen opgehangen. Lelijk. En waarom? Ik denk dat Erik Vos die lappen heeft opgehangen om te verdoezelen dat het stuk in een gouden lijst in de schouwburg staat. Ooit was Vos (80) zelf experimenteel en keerde hij zich van de schouwburg af. Aan die lappen voel ik het ongemak: Vos wil nog steeds een beetje experimenteel zijn.

Anders dan de stukken van Van Dolron en Kennedy mist deze Kersentuin vanzelfsprekende noodzaak. Tijdens het kijken bedenk ik dat Vos eigenlijk Macbeth wilde opvoeren. Maar Evert ‘Establishment’ de Jager wilde liever De kersentuin. Geen vrijheid voor Vos. Dodelijke gedachtes tijdens een voorstelling.

    • Wilfred Takken