Taboe op toetjes uit bakjes

‘Ik vind dit gewoon heel lekker”, zei de man van het paar waar ik bij at. „Ik ga me er ook helemaal niet voor excuseren.”

„Dit” was een toetje. Uit een bakje.

„Ik mag dat van mijn geloof niet eten”, piepte ik. „Officiële receptenschrijvers mogen geen dingen uit bakjes eten, van de kerkorde der receptenschrijvers. En als ze het toch doen dan zuiver beroepsmatig en met de verplichting het vies te vinden.”

Terwijl ik dat zei had ik mijn lepel er natuurlijk al ingestoken. Biologische yoghurt met bosbessen.

„Er zijn meer smaken”, zei de vrouw. „Maar deze is de lekkerste”, zei haar man.

Albert Heijn-huismerk als ik me niet vergis. Vol en romig met lekker, beetje zoet, fruit.

Ze informeerden vriendelijk naar wat ik nog meer niet mocht eten en/of lusten.

Geen e-nummers. Geen kant-en-klare sauzen. Eigenlijk niks kant-en-klaars.

Jammer, vonden ze. Er zijn allerlei lekkere en makkelijke dingen uit potjes.

Dat is wel waar. Maar het is ook niet waar. Er zijn heel veel smerige dingen in potjes. En heel veel rare en overbodige dingen in potjes. En in potjes zitten vaak spulletjes die krankzinnig uitgesproken smaken, op het hysterische af. Mensen die er veel van eten lusten daarna niet eens meer gewoon eten. Ze herkennen de smaak niet als er geen suiker en zout en smaakversterker en maggipoeder en wieweetwatallemaal in zit.

En wieweetwatallemaal is ook een probleem, want we weten écht niet wat er zoal in de pakjes en potjes zit en de voedselindustrie wil dat graag zo houden. Mensen met allergieën weten erover mee te praten.

Goed, nu heb ik mijn plicht als verantwoorde receptenschrijver weer gedaan.

Er zijn natuurlijk heel verantwoorde potjes en blikjes ook. Ik mag graag af en toe een pot soep van de KleinsteSoepFabriek kopen – die soepen zijn echt erg lekker en zonder conserveermiddelen. Zelf noemen ze hun soepen een ‘soepavontuur’. Omdat je via de soep de hele wereld rondreist, van Italië naar Thailand en van China naar Spanje. Net hoe de soepmuts staat.

Het is heerlijk om zo’n potje in huis te hebben als je bijvoorbeeld op zondagmiddag denkt: iets hartigs. En kijk eens: een Italiaanse tomatensoep staat al klaar in de kast of Groninger mosterdsoep of Palestijnse olijfoliesoep.

Al eet ik ook wel eens een kop bospaddestoelensoep van Unox. En die smaakt me dan heel goed.

Maar toetjes eigenlijk nooit. Ik weet niets van kant-en-klare toetjes. Dus toen ik laatst dacht: een toetje maar geen uren werk, maakte ik maar gauw peren in de oven. En als ik eerlijk ben: zoiets krijg je niet uit een pakje.

Verwarm de oven op 175 graden.

Snijd de onderkanten van de peren ietsje af zodat ze blijven staan. Smeer ze royaal in met boter en rol ze flink door de bruine suiker.

Zet ze in een ingevet ovenschaaltje waar ze precies met z’n vieren inkunnen. Giet er de marsala bij en leg er een in tweeën gebroken kaneelstokje in.

Zet het schaaltje een half uur in de oven – de peren moeten zacht en donker zijn en het vocht een beetje stroperig.

Laat ze iets afkoelen, gewoon in de warme oven.

Geef ieder een peer op een bordje, met wat van het stoofvocht en een dotje zure room. Of zonder dotje zure room, het is eigenlijk ook heel goed zoals het is.

    • Marjoleine de Vos