Niet op alle vragen over Q-koorts komt antwoord

De ministers van Landbouw en Volksgezondheid lichtten gisteren in Noord-Brabant de aanpak van de Q-koorts toe. „Een drama voor geitenhouders.”

In de lege zaal staat een jonge vrouw in lange, kleurige rok te snikken. Jan van Lokven, voorzitter van geitenhouders binnen landbouworganisatie LTO Nederland, is na de bijeenkomst als enige blijven zitten en kijkt naar haar. Zijn oren, neus, wangen zijn rood, zijn blik is aangeslagen. „Een geitenhoudster”, zegt hij en knikt naar de vrouw. „Burgers denken dat dieren ons niks doen. Maar we staan er ’s nachts voor op als ze ziek zijn. Het is moeilijk afscheid te nemen van dieren. Zeker als ze zwanger zijn.”

Jan van Lokven en de geitenhoudster zaten eerder deze woensdagavond in een grote zaal van het provinciehuis in Den Bosch lijdzaam naar het achtuurjournaal te kijken. Met artsen, lokale bestuurders en Q-koortspatiënten. Ze keken omdat ze wachtten – ruim een uur – op de ministers Klink (Volksgezondheid, CDA) en Verburg (Landbouw, CDA).

Om half vier hadden ze een uitnodiging gekregen: de ministers komen de afgekondigde maatregelen toelichten. U bent welkom. Ze zegden afspraken af en gingen.

De ministers reisden na de persconferentie in Den Haag naar Noord-Brabant, de provincie waar 135.000 geiten leven. De provincie waar ruim dertig van de 55 besmette bedrijven gevestigd zijn. De provincie waar dit jaar 1.650 mensen Q-koorts kregen, ruim tweederde van de bijna 2.300 patiënten in Nederland.

Nadat de ministers zijn gearriveerd, gaat de zaal dicht. De pers blijft buiten. Aanwezigen mogen vragen stellen. Ze hebben er zo veel dat de bijeenkomst een uur langer duurt dan gepland.

Na afloopt klinkt applaus. Deuren gaan open. De ministers nemen plaats voor de televisiecamera’s. Artsen en bestuurders stormen naar de bar.

En Van Lokven zit daar maar in zijn stoel. Hij liet als een van de eersten zijn geiten vaccineren. Toch moet ook hij dieren laten ruimen, want zijn geitenbedrijf is besmet. „De dieren hadden al Q-koorts voor ze gevaccineerd werden”, legt hij zuchtend uit.

Dinsdag reisde hij naar Den Haag om te praten met minister Verburg. Hij vertelde haar dat hij en zijn collega’s zich zorgen maken over het voortbestaan van hun bedrijven. „Ze legde een hand op mijn schouder en zei: we gaan dit samen trekken. Dat doet je iets.”

Met angst en beven ziet hij uit naar het Kamerdebat van donderdag. „Straks zegt de Kamer: de maatregelen gaan ons niet ver genoeg, laten we alle dieren ruimen.”

Tussen de napratende mensen staat Jos van de Sande, hoofd infectiebestrijding van de GGD Hart voor Brabant. „Het was een bewogen avond”, zegt hij. Hij is blij met de forse maatregelen. „Ik vraag me alleen af of het haalbaar is alle geiten van besmette bedrijven in het gebied waar verplicht gevaccineerd is, individueel te testen voordat in februari het lammerseizoen begint.”

En hoewel de ministers twee uur lang antwoorden hebben gegeven, is ook arts-microbioloog Kees Verduin van het Laboratorium voor Pathologische Anatomie en Medische Microbiologie in Veldhoven met vragen blijven zitten. Wat gebeurt er met schapen, ook verspreiders van de Q-koortsbacterie? Nederland telt 800.000 ooien. En wat gebeurt er met hobbygeiten en op kinderboerderijen?

Maar vooral: hoe is de enorme draai te verklaren die de ministers hebben gemaakt? „Tot een week terug ontkenden zij de ernst van de situatie. Lange tijd hebben ze een verkeerde afweging gemaakt tussen belangen van boeren en de volksgezondheid. Wat ging er tot nu mis? Dat moet uitgezocht worden om herhaling van een dergelijke situatie te voorkomen.”

Wethouder Hoeksema van Oss worstelt ook nog: als we een deel van de geiten ruimen, hoe krijgen we stallen dan Q-koortsvrij, vraagt hij zich af. En hoe weten we dat nieuwe geiten niet besmet zijn?

Hoeksema heeft een dubbel gevoel overgehouden aan de avond. Ruimen is een drama voor geitenhouders, Q-koorts een drama voor patiënten. „We moeten ons afvragen of we de consequenties van de intensieve veehouderij in ons dichtbevolkte land wel willen accepteren. Maar die discussie lijkt niemand in Nederland te willen voeren.”