Met smaak behept

Het begrip ‘design’ was ooit gekoppeld aan ‘goede smaak’. Weg met de eikenhouten kloostertafel en welkom, minimaal tafeltje op drie ooievaarspoten. Weg met de kwasten, antimakassars en geblokte tapijten en welkom, koel marmer en klare lijn.

Maar ‘goede smaak’, dat was ook Schöner Wohnen, Jan des Bouvrie en Gooise vrouwen die kwijlend het dirigeerstokje volgden van dure design-mieën. Voor de mieën betekende ‘design’ dat andermans rotzooi eruit moest en de eigen rotzooi erin. Design kwam in een slechte reuk te staan. Als ‘design’ zich nog wilde redden diende het hoognodig afscheid te nemen van goede smaak. Design werd kunst. Brutaal en wervelend. Schokkend en avant-gardistisch. Baanbrekend en duurzaam. Mondiaal en confronterend. De taal van de reclame is naar believen oprekbaar.

Een heel eind zijn we verwijderd geraakt van de kunstnijverheid, zoals ‘design’ honderd jaar geleden heette. Een heel eind opgeschoten ook. Design is een geheel vernieuwd en prachtig genre geworden. Het zou nog prachtiger zijn als het niet zo duur was. Daarom doe ik aan privédesign. Ik houd het design in eigen hand, want mijn designbudget is beperkt. Omdat ik het nieuwe design niet kan omhelzen door een verbrande stoel van 10.000 dollar te kopen, omhels ik het nieuwe design door de slechte smaak nog verder te propageren. Het plagen van dames die de Schotse ruit aanhangen en de romans van Renate Dorrestein, ziedaar mijn huisvlijt. Je wilt dat soort mensen toch plagen? Je wilt dat soort mensen toch in hun smaakpapillen knijpen? Ik ben een onvoorwaardelijke vriend van het Nieuwe Design.

Er zit niets anders op dan al degenen die zich laten voorstaan op hun goede smaak te bombarderen met slechte smaak. In hun bijzijn blijf ik de compositie van de hamburger prijzen en de schoonheid van de drol. En verdomd, het werkt. Een keer heb ik in het openbaar opgebiecht dat ik verzot was op het verorberen van Hema-rookworst. Nooit ontving ik zoveel bijval. Mijn kostje was gekocht. Al mijn liefdesverklaringen aan Bach en Michelangelo, hoogst smaakvolle heren, verbleekten erbij. Sindsdien moet ik mijn kaviaar eten op een onderduikadres.

Geloof me, we hebben het lelijke nodig. Laat het lelijke alsjeblieft het lelijke blijven – iets aparts. Ten behoeve van de ademhaling, van de esthetische huishouding. De designers zullen ons dankbaar zijn. Alleen als mooi en lelijk blijven bestaan kunnen we nog het verschrikkelijke van de schoonheid ervaren en de schoonheid van het banale. Op dat kruispunt bevindt zich mijn design.