Lid wegens de woelmuis

De aanhang van natuurorganisaties loopt terug. Dat komt niet alleen door de recessie. Clubs die zich inzetten voor aaibare dieren groeien juist wel.

Alleen in de Randstad. Op luttele kilometers van Utrecht heerst rust. „Daar in de verte zie je nog een stukje van de Dom”, zegt boswachter Ron van Overeem.

Het is mooi hier, in de moerassen van de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven. En als binnen enkele jaren de laatste twee boerenbedrijven na een minnelijke schikking zullen zijn verdwenen, zal het nóg mooier worden, en zal een veel groter deel van dit laagveengebied z’n natuurlijke staat herwinnen, met een seizoensgebonden waterpeil en zeldzame plant- en diersoorten, zoals het slank wollegras, het woudaapje en de noordse woelmuis.

„Hier doen we het dus allemaal voor”, zegt algemeen directeur Jan Jaap de Graeff van Vereniging Natuurmonumenten. „Als wij zulke gebieden in Nederland niet beheren, als wij niet de taaie, ingewikkelde en dure strijd leveren om zulke gebieden te behouden en uit te breiden, dan verdwijnen deze gebieden typisch Hollandse cultuurlandschappen.”

De Graeff was gevraagd naar zijn reactie op de deze week bekendgemaakte cijfers over de aantallen leden en donateurs van milieu- en natuurorganisaties in Nederland. Na een aantal jaren van schommelingen is volgens de jaarlijkse telling van het radioprogramma Vroege Vogels de aanhang het afgelopen jaar fors gedaald. Met name bij grote organisaties als het Wereld Natuur Fonds, Natuurmonumenten en Greenpeace. Natuurmonumenten verloor de meeste leden, 52.000, en telt er nu 830.000. Gezamenlijk tellen de groene organisaties iets meer dan vier miljoen aanhangers.

Onderzoeker Joost Huijsing van Vroege Vogels: „Opvallend is dat dit jaar alle grote organisaties aanhang hebben verloren. Dat komt vermoedelijk door de recessie. Maar organisaties die zich bezighouden met het welzijn van aaibare dieren hebben meer aanhangers gekregen. Ook de grootte van het verlies verschilt nogal. Als ik bij Natuurmonumenten zat, dan zou ik me toch nog eens achter mijn oren krabben.”

Vervolg Natuurclubs: pagina 3

Natuur moet ook rendabel worden

Op het eerste gezicht lijkt de verklaring eenvoudig. De economische recessie heeft toegeslagen. Mensen bekijken hun lidmaatschappen nog eens nauwkeurig en zeggen er enkele op. Ook het politieke klimaat is veranderd. Kwam acht jaar geleden nog een „natuuroffensief” op gang na aandringen van de Tweede Kamer, inmiddels is daarvan weinig meer te merken. CDA-Kamerlid Ger Koopmans vindt dat voorlopig geen grond meer moet worden aangekocht voor de Ecologische Hoofdstructuur, het netwerk van aaneengesloten natuurgebieden dat in 2018 klaar moet zijn. Zijn fractiegenoot Joop Atsma opperde onlangs dat natuurgebieden kunnen worden gebruikt om er windmolens te plaatsen. Zo zou de natuur „rendement” kunnen maken. En minister Verburg (Landbouw en Natuur, CDA) kondigde onlangs aan dat er wat haar betreft geen land meer onder water wordt gezet als dat alleen de natuur ten goede komt.

Toch zijn er meer verklaringen voor de slinkende aanhang, zegt Jan Jaap de Graeff van Natuurmonumenten. Hij noemt de „polarisatie” in het debat over natuur. „Natuur wordt enerzijds tegenwoordig voorgesteld als iets wat de vooruitgang tegenhoudt. Anderzijds is er de nadruk op een beperkt natuurbelang zoals de bescherming van apen of varkens.” In dat klimaat van extremen, stelt De Graeff, is het moeilijk om als „maatschappelijke middenpartij” nog zichtbaar te blijven. De Graeff neemt verder een „discontinuïteit” waar in de steun aan groene organisaties. „We spreken over de zwevende gever. Mensen springen van de ene club naar de andere, van het ene goede doel naar het andere. Aan ons de taak om in deze tijd van discontinuïteit, waarin mensen en overheden sneller en vaker van voorkeur veranderen, de continuïteit te bewaren van natuurbeheer.”

Ook Matthijs Schouten heeft verklaringen. Hij is ecoloog en „strateeg” bij Staatsbosbeheer, en hoogleraar natuurherstel in Wageningen. „Fascinerend” vindt hij vooral de licht stijgende aanhang voor dierenrechtenorganisaties. Schouten: „Het is bekend dat vooral jongeren zich niet zo snel meer voor lange tijd verbinden aan een organisatie. Dat zou je een uiting van de postmoderne samenleving kunnen noemen. Maar áls ze zich verbinden, dan doen ze dat liever met een symbool dan met vage, grijze begrippen als natuur en milieu. Het dier is een totemdier geworden, het totemdier zoals de antropoloog Lévi-Strauss dat heeft beschreven, een duidelijk symbool van een wereld waarmee mensen zich willen verbonden voelen, zoals de orang-oetan bijvoorbeeld.”

Grote organisaties moeten bij deze trend niet lijdzaam toezien, aldus Schouten. „Er is sprake van een discontinuïteit in de cultuur. Je kunt constateren dat in deze tijd van onoverzichtelijke informatie burgers worden aangetrokken door duidelijke beelden. Een eenvoudig symbool, een pars pro toto, is beter te begrijpen dan de veelheid aan wisselende informatie over natuur en milieu waar burgers een gevoel van onmacht aan overhouden. Maar grote natuurorganisaties zouden veel beter dan nu duidelijk kunnen maken dat juist zij zorgen voor continuïteit waar veel mensen naar op zoek zijn. Dat zij niet meedoen aan de waan van de dag. Dat zij de publieke waarde die natuur is, beschermen.”

Doorgaan met het beheren van natuurterreinen, derhalve. Vertrouwen op de grote groep „trouwe leden”, aldus Natuurmonumenten. De politiek houden aan de belofte dat over tien jaar de Ecologische Hoofdstructuur voltooid moet zijn. En doorgaan met het uitkopen van die enkele boer die op verschillende platsen in Nederland de vorming van natuur in de weg staat. Zoals, in de Oostelijke Binnenpolder van Tienhoven.

    • Arjen Schreuder