Jongens van 17

Gistermiddag, omstreeks twee uur. Op het perron van station Hilversum waren al wat voetbalsupporterachtige yells te horen geweest, maar pas toen de intercity naar Amsterdam zich in beweging zette, zag ik van wie ze afkomstig waren.

Een groepje van zeven, acht jongens van een jaar of zeventien nam bezit van de tweedeklascoupé naast de eersteklas waar ik met vijf andere reizigers zat. Of er op dat moment nog andere reizigers in die tweedeklascoupé zaten, kon ik niet zien. Als het zo was, zullen ze het er niet lang uitgehouden hebben.

De jongens ontketenden terstond een opzienbarend kabaal dat tientallen meters verderop te horen was. Ze joelden, tierden en raasden dat het een lieve lust was. Ze bonsden op de ramen, zaten elkaar achterna over de banken en leverden pseudogevechten.

Het waren autochtone jongens van keurige komaf – dat was te zien aan hun kleding en te horen aan hun spraak. Ze hadden geen drank bij zich, maar ze wekten wel de indruk op een of andere manier gedrogeerd te zijn.

Een van de jongens hoorde ik zeggen: „Ik rookte vanmorgen om tien uur al mijn eerste joint.”

Het lawaai en het geknok duurde onverminderd voort tot we in Amsterdam arriveerden. Het was alsof we abusievelijk waren beland in een busje met oudere ADHD’ers, op weg naar de kliniek.

Conducteurs, anders nogal ijverig op stille middaguren, hielden zich verre van de war zone. Ook reizigers waagden het niet de bewuste coupé te doorkruisen. Er ontstond een cordon sanitaire waaraan iedereen zich stilzwijgend hield.

In Amsterdam stond een groepje politiemensen de trein op te wachten. Ze hoefden niet in te grijpen, want de jongens, op slag gedwee, daagden hen niet uit en gingen op in de menigte. In de trein hadden ze rommel achtergelaten, maar geen vernielingen aangericht.

Ook als reiziger had ik me geen moment door hen bedreigd gevoeld. Ze keken af en toe afwezig door het glas van de verbindingsdeur naar ons, oppassende burgers, maar ze keerden zich niet tegen ons, ze waren eenvoudig niet in ons geïnteresseerd.

Via de stationshal liepen ze ongecoördineerd naar buiten, sommigen tamelijk wankel ter been en zich aan elkaar vastklampend – zulke jongens hebben grote behoefte aan kameraadschappelijk lichaamscontact. Op het trottoir voor het station verzamelden ze zich, weer druk pratend en nu ook sigaretten rokend. Het feest kon beginnen, maar welk feest? Daar waren ze nog niet helemaal uit.

Waarom vertel ik dit? Niet om te waarschuwen voor de ‘grenzeloze generatie’, want ik geloof niet in dergelijke generalisaties. Jeugd deugt, daar moet je vanuit gaan. Het gedrag van deze jongens was ook niet te vergelijken met dat van de agressieve hooligans in Hoek van Holland. Die waren moordzuchtig geworden, buiten zichzelf van de woede die ze zelf opgewekt hadden. De jongens in de trein wilden vooral elkaar bewijzen hoe flink en onaangepast ze nog waren.

Maar er was ook een overeenkomst, namelijk in de totale ongeremdheid onder invloed van bepaalde stimulantia. De andere overeenkomst ligt bij ons, de toeschouwers. Of we nu wel of niet bij de politie werken, ouder zijn van zo’n jongen of gewoon passant: wij weten niet hoe we erop moeten reageren.

    • Frits Abrahams