'Jolanda!'

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

25-11-2000-Nederland,Zeeland. Bushalte Zeelandbrug op lijn 132. (streekbusvervoer Connexxion). Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Het duurde bijna vier jaar voordat ik mijn eerste grote relatiecrisis met Jolanda had. Toen we wat kregen, was zij zestien en ik tweeëntwintig jaar oud. Ze was anders dan de andere IJmuidenaren. Moediger. Dat realiseerde ik mij na een tijd in deze stad gewoond te hebben. Jolanda was de enige die zich niets aantrok van de IJmuidense spelregels: de IJmuidenaar en de gastarbeider gingen vredig met elkaar om, zeiden elkaar gedag op straat en zaten wel eens aan de toog in het café, maar ze hielden gepaste afstand van elkaar. Echt duurzaam contact was er niet. Jolanda ging voorbij de gebruikelijke verhoudingen. Niet alleen door met mij te gaan, maar ook door bevriend te zijn met mijn neef Mustapha en Kemal de Turk. Ooit vroeg ik aan Jolanda wat ze in mij zag. Ze had evengoed met een Hollandse jongen kunnen gaan, die ook studeerde, een vooruitzicht had op een goede baan en die dezelfde achtergrond had als zij.

„Weet je nog, de zomer van ’74”, zei Jolanda. „Je sprak me aan in de kantine van de haven, en zei: ‘Lieve Jolanda, mijn naam is Driss Tafersiti. Ik hou van jou. Ik droom elke dag van jou. Ik eet niet. Ik slaap niet. Want jij zit in mijn hoofd.’ Iemand die zo’n openingszin bedenkt, kan niet anders dan de liefde van mijn leven zijn.”

Jolanda had een onbedorven wereldbeeld. Waar iemand vandaan kwam, deed er voor haar niet toe. Dat was geen pose, maar een authentiek deel van haar karakter. Het was een eigenschap die altijd overeind bleef staan. Tot aan het huwelijksfeest van Kemal. Daar werd ze geconfronteerd met gebruiken en gewoontes die ver buiten haar wereld lagen. Ze maakte hetzelfde mee als toen ik werd geconfronteerd met het echte Hollandse leven en mezelf afvroeg hoe ik mij dit ooit eigen kon maken. We droegen allebei een andere cultuur en tradities met ons mee, waar we lang geen last van hadden; we hadden onze handen vol aan de liefde voor elkaar, alleen wij bestonden op deze planeet. Uiteindelijk stak onze achtergrond toch de kop op, en zorgde voor de eerste haarscheurtjes in onze relatie.

Ik had Jolanda sinds de bruiloft van Kemal en Hülya niet meer gezien of gesproken. Elke ochtend om half acht verliet ik stiekem mijn werkplek om naar de bushalte te gaan. Ik hoopte Jolanda daar te treffen voordat ze de bus naar de kweekschool zou nemen. Maar ze kwam nooit opdagen. Uit bezorgdheid ging ik op een van die ochtenden naar haar ouderlijk huis en belde aan. Mevrouw Tielemans deed in haar ochtendjas open. „Het spijt me, Driss. Jolanda wil je voorlopig even niet zien”, vertelde ze me. Ik wilde mevrouw Tielemans niet lastig vallen met mijn verdriet en keerde terug naar mijn werkplek.

De dagen daarop raakte ik steeds meer van slag. Ik wilde Jolanda vertellen dat ze niet bang hoefde te zijn, dat ik hetzelfde had meegemaakt. Ik had geen antwoorden, maar met geduld en haar moed zouden we er bovenop komen. Het bleef stil aan haar kant en dat zaaide onrust in mijn lijf.

Toen ik het niet meer uithield, klopte ik weer aan bij haar huis. En weer kreeg ik van mevrouw Tielemans te horen dat Jolanda mij niet wilde zien. De paniek vermorzelde mij. Het idee dat ik haar nooit meer zou zien, deed mij alle fatsoen opzij schuiven. „Ik moet haar zien”, zei ik en probeerde binnen te komen. Mevrouw Tielemans versperde de deur en zei: „Dat kan echt niet, Driss!”

„Jolanda!” schreeuwde ik naar binnen. „Jolanda, ik moet je spreken.” Ik schreeuwde nog veel meer, zowel in het Nederlands als het Berbers. Ik sprak bijna in tongen. Als laatste krijste ik: „Het is niet mijn schuld dat we verschillend zijn!”

Driss Tafersiti

    • Driss Tafersiti