Japanse bestedingsplannen doorkruisen strategie

Yukio Hatoyama is bezig met een vroege en riskante ommezwaai. Zijn Democratische Partij (DP), die in augustus de verkiezingen won met een bezuinigingsprogramma, heeft een groot nieuw uitgavenpakket goedgekeurd ter waarde van 7.200 miljard yen (55 miljard euro). De kosten van deze maatregelen komen bovenop de toch al hoge staatsschuld, waardoor mogelijk zowel de particuliere sector wordt ondermijnd als de verkiezingsbeloften van de DP.

John Maynard Keynes adviseerde de bestedingen te laten groeien, met name in infrastructuur, om de economie op gang te krijgen. Maar zelfs op grond van Keynesiaanse normen mist het nieuwe pakket iedere richting. Slechts 500 miljard yen van de nieuwe uitgaven is bestemd voor de infrastructuur, terwijl 3.000 miljard yen gaten moet dichten in begrotingen van regionale overheden.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat deze investeringen een vermenigvuldigingseffect zullen hebben – de term die wordt gebruikt wanneer de vraag harder stijgt dan de overheidsbestedingen. Nog eens 600 miljard yen voor de bevordering van de werkgelegenheid en 800 miljard yen voor milieumaatregelen zullen vermoedelijk ook geen bijzonder hoge vermenigvuldigingsfactor opleveren. Bovendien duidt de 1.200 miljard yen die is bedoeld om bedrijven aan financiering te helpen op ondoelmatigheden in de Japanse kapitaaldistributie die op geen enkele andere manier zichtbaar zijn.

Het grootste probleem met Keynesiaanse stimuleringspakketten doet zich voor wanneer de financiering ervan de kapitaalmarkten leegzuigt. Voor Japan, dat een staatsschuld heeft van 219 procent van het bruto binnenlands product en jaarlijks nieuwe leningen moet opnemen ter hoogte van 10 procent van het bbp, zou dit een grote bron van zorg moeten zijn.

Op grond van minstens één graadmeter stijgen de langetermijnkosten van kapitaal in Japan. Het rendement op Japanse staatsobligaties met een looptijd van dertig jaar bedraagt ongeveer 2,2 procent, slechts 0,2 procentpunt méér dan een jaar geleden. Maar de kracht van de yen heeft Japan weer in de deflatie doen belanden, hetgeen betekent dat de reële financieringskosten aanzienlijk zijn gestegen. De consumentenprijzen daalden vorig jaar met 2,5 procent, tegen een stijging van 1,7 procent in het jaar daarvoor. Simplistisch gesteld houdt dit in dat het reële rendement op de Japanse staatsobligaties met een looptijd van dertig jaar vorig jaar met 4,4 procentpunt is gestegen naar 4,7 procent.

In plaats van een stimuleringspakket beloofde het verkiezingsprogramma van de DP een kinderbijslag van 26.000 yen per kind. Dat zou de Japanse economie weer op het spoor van de binnenlandse consumptie hebben gezet, wat zeer wenselijk is. Helaas heeft de regering hier na de jongste bestedingsplannen wellicht het geld niet meer voor.