Geweld stammen ondermijnt Zuid-Soedan

Bij tribale gevechten zijn in Zuid-Soedan duizenden doden gevallen. Automatisch wordt de vroegere noordelijke vijand beschuldigd.

An unidentified relative of SPLA Major Mabior Mading, who was killed during fighting over the weekend in south Sudan's troubled Jonglei state, mourns during his funeral on September 22, 2009 in his hometown Rumbek, the capital of the state of Lakes. Tribesmen from the Lou Nuer ethnic group raided the Dinka Hol village of Duk Padiet early on September 20, forcing a company of Sudan People's Liberation Army (SPLA) soldiers based there to flee. The African Union has voiced grave concern over the "atrocious" attacks which left more than 100 people dead over the weekend in the Duk County of Jonglei State. AFP PHOTO/HO/UNMIS/TIM MCKULKA -- RESTRICTED TO EDITORIAL USE -- AFP

Kraaien pikken de laatste korrels weg rond ingestorte graansilo’s. In de as voor een geblakerde woning ligt een misvormde fiets. De oogst is verbrand. Onder een vijgenboom liggen granaathulzen, bewijs van een gevecht waarbij vrouwen en kinderen omkwamen en tienduizenden op de vlucht sloegen.

Dit is niet de West-Soedanese regio Darfur. Dit is Zuid-Soedan, dat sinds 2005 officieel vrede kent na de lange oorlog tegen het noorden. Door conflicten tussen tribale groepen gingen er dit jaar honderden dorpen in vlammen op, vielen 2.500 doden en raakten 400.000 mensen ontheemd. Meer dan in Darfur. „Iedereen heeft tegenwoordig wapens in de dorpen”, vertelt een hulpverlener, „het is angstaanjagend. De stam- en politieke conflicten zijn van aard veranderd door de vloed van wapens. In Zuid-Soedan dragen kleine kinderen een geweer. In Darfur zie je dat niet.”

In het verderop gelegen Gemmeiza, ten noorden van de hoofdstad Juba, hurkt stamhoofd Victor Mangga naast de verwoeste kerk. Zijn dorp ligt langs de Nijl, palmbomen wuiven in de wind. Dit is het woongebied van de kleine stam de Mundari, iets verderop leven de Dinka’s. Tussen afgebrande tukuls (ronde lemen hutten met rieten daken) hangen honderden ontheemden rond. „De Zuid-Soedanese regering laat ons in de steek”, klaagt Mangga. „We worden aangevallen door de Dinka’s, ze willen ons land afnemen en de overheid geeft ons nauwelijks bescherming.”

„Ons stamhoofd heeft gesproken”, zegt dorpsbewoonster Anita, „maar het is nog erger dan de mannen u vertellen. We moeten rennen voor de Dinka’s, we slapen onder bomen. We eten bladeren en wilde vruchten. We kregen in Zuid-Soedan vrede door onderhandelingen van de politici, maar de burgers lijden nog steeds door geweld.”

Bij dit conflict tussen de Dinka- en de Mundari-stam vielen ruim veertig doden en raakten 24.000 burgers op drift. Overal in het zuiden braken begin dit jaar dergelijke tribale gevechten uit, over weidegronden en over vee. Tussen landbouwers en veetelers, maar ook tussen clans van dezelfde stam. „Deze strijd is politiek gemotiveerd”, meent John Lado, een bestuurder in Gemmeiza. „Hoe komen de strijders aan hun kogels? Ze stelen niet alleen vee, maar vallen ook overheidsgebouwen aan. We zagen hoe een officier kogels uitdeelde. En hoe een garnizoenscommandant mee-plunderde en er met een ijskast vandoor ging.”

Clement Wani Kongo is gouverneur van de deelstaat Centraal Equatoria. Hij legt de schuld bij de Dinka’s „die een stuk van mijn deelstaat willen overnemen”. De Dinka is de grootste stam en prominent vertegenwoordigd in de autonome regering. „Vroeger werden er ook tribale ruzies uitgevochten, maar nu worden er hele dorpen afgebrand en vrouwen gedood. Het is fout dat de regering niet actiever optreedt.”

Wie is de vijand? Sinds 1955 tot 2005 vochten zwarte Zuid-Soedanezen met tussenpozen tegen het gearabiseerde noorden. In de volksmond zijn „de Arabieren van het noorden” altijd de schuldigen van de ellende in het zuiden. Vele Zuid-Soedanese functionarissen wijzen nu weer beschuldigend naar Khartoum, dat het zuiden zou willen destabiliseren. President Salva Kirr verweet onlangs niet-genoemde politici het geweld in het zuiden aan te wakkeren.

Maar Salva Kirr had vermoedelijk niet het noorden in gedachten toen hij zijn beschuldigingen uitte. „Als Salva Kirr over destabilisatie praat, heeft hij het over zuidelijke politici”, zegt het hoofd van een VN-organisatie in Juba. „Hij bedoelt vice-president Riëk Machar, de militieleiders Gabriel Tanginya en Paulino Matib, de afvallige politicus Lam Akol en vele anderen.” Al deze Zuid-Soedanezen hebben gemeen dat ze tijdens de oorlog van 1983 tot 2005 ooit samenwerkten met het noordelijke regeringsleger en vochten tegen het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA), dat nu de regering in Juba vormt. „Hun soldaten van destijds zijn na het vredesverdrag onvoldoende geïntegreerd in het zuidelijke of het noordelijke regeringsleger, ze nemen nog steeds bevelen aan van hun leiders tijdens de oorlog.”

Het startschot van de ontwrichting van het zuiden was de daling van de olieprijs. De regering in Juba, vrijwel geheel afhankelijk van de oliegelden, moest het in januari plots met veertig procent minder inkomsten stellen. Ambtenaren en regeringssoldaten ontvingen geen salaris meer. „Alleen de soldaten van het SPLA in het leger wisten door hun patronagenetwerken voedsel te krijgen, de geïntegreerde militieleden ontvingen niets. Dat leidde tot spanningen binnen het leger en die spanningen sloegen over naar de bevolking.”

Zuid-Soedan staat aan de vooravond van historische gebeurtenissen. Over vier maanden moeten er voor het eerst vrije verkiezingen plaatshebben, een jaar later gevolgd door een referendum over onafhankelijkheid. „De verkiezingen veroorzaken nieuwe geschilpunten tussen de politici”, vertelt minister Peter Adwok Nyaba. „Ze wakkeren conflicten tussen bevolkingsgroepen aan.” Hij legt de eindverantwoordelijkheid bij de Zuid-Soedanese overheid: „De regering faalt om de conflicten op te lossen en het noorden spint daar garen bij. Onder zulke omstandigheden betekent straks onafhankelijkheid voor het zuiden niets.”

Voor de zuidelijke regering heeft het referendum de allerhoogste prioriteit. Ze kruist de degens met de overheid in Khartoum die ze ervan verdenkt het referendum te willen saboteren. Voor de afbrokkelende eenheid in het zuiden heeft ze minder aandacht. „We moeten voorkomen dat het zuiden uiteenvalt nog vóór het als staat geboren is”, concludeert het VN-hoofd. „Sinds 1955 werd de zuiderlingen enkele keren een referendum voorgehouden en steeds ging het door manipulatie door het noorden mis. Nu zijn de Zuid-Soedanezen hun doel dichter dan ooit genaderd en dreigen ze het zelf te verzieken.”