Gekwelde pufjes van Martinu

Klassiek Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Smetana, Martinu en Brahms. 9/12 Concertgebouw Amsterdam. Herh.: 10/12 aldaar, 18/12 Brussel. Radio 4: 20/12, 14.15 uur. ****

Goede quizvraag: welke nationaliteit had Mahler? Hij was Oostenrijker, maar werd geboren in Bohemen, nu Tsjechië. En omdat het Concertgebouworkest lopend en komend seizoen focust op Mahler, doet het dat ook een beetje op de muziek van minder gespeelde Tsjechen. Vergezocht? Och; het land biedt een schat aan muzikale aanknopingspunten – anders dan wanneer Mahler, zeg, een Bulgaarse achtergrond zou hebben gehad.

Neem Bohuslav Martinu. Elke aantredend orkestdirecteur zet diens naam prominent op zijn wensenlijstje, maar in de dagelijkse concertpraktijk hoor je zijn muziek vrijwel nooit. Bartók, wat Stravinsky, spoortjes Sjostakovitsj maar vooral een eigen geluid sprak gisteravond uit de uitvoering van Martinu’s Dubbelconcert voor twee strijkorkesten, piano en pauken. Het door Ellen Corver mengend, ritmisch en trefzeker gespeelde aandeel van de piano is hier, tussen de neobarok naast elkaar geplaatste strijkorkestjes, vooral onderdeel van het geheel; het desolate Largo, het opgejaagde Allegro. Eenzame muziek tot en met het slotakkoord: drie gekwelde pianopufjes.

Voor chef Mariss Jansons, kwiek na zijn cardiale ingreep afgelopen zomer, is dit een drukke maand. Hij leidt het orkest dezer dagen voor het eerst in twee ijkpunten van het repertoire en gaat daarmee vanaf morgen op tournee naar Londen, Wenen, Parijs en Brussel.

Een parallel tussen Jansons blik op Brahms Vierde symfonie en zijn memorabele Mahler (Tweede symfonie, vorige week) was er ook; ook Brahms bloeide op door de spanbreedte en lange adem van de opzet, waarin ook symfonisch krachtwerk niet werd geschuwd.

De houtblazers in het openingsdeel kregen veel ruimte, waarna in het Andante de aandacht voor Brahms’ polyfonie opviel. Emily Beynon maakte van de fluitsolo in het slotdeel een aangrijpende klaagzang. Getroebleerd bleef de sfeer, versterkt door het contrast tussen het zeer potente tromboneterzet en de ploeterend overkomende cesuren aan het slot.

Het indrukwekkende is dat Jansons in elk denkbaar werk ‘nieuwe’ details weet uit te lichten. Zelfs Smetana’s Ouverture Die verkaufte Braut klonk naast folkloristisch avant-gardistisch, met gemene zweepslagjes in de strijkers.