De fundamenten aangetast

In 1984 kwamen de Nederlandse ambassadeurs in de regio Oost-Azië en de Stille Oceaan in Jakarta in conferentie bijeen. Hun conclusie was dat de toekomst in Oost-Azië lag en dat de positie en invloed van Europa aan het afbrokkelen was. Lodewijk van Gorkom, ambassadeur in Indonesië, was hun gastheer en vertelt hierover in zijn onlangs uitgekomen memoires, Door Europa en de wereld (Boom, Amsterdam).

Zes jaar later was hij ambassadeur in Wenen, en weer was hij gastheer van een regionale ambassadeursconferentie. Ditmaal ging het over de gebeurtenissen na de ‘val van de Muur’, die vijf maanden tevoren had plaatsgevonden. Toen waren de ambassadeurs minder vooruitziend. Zij vonden dat de NAVO onverkort moest worden gehandhaafd, terwijl Van Gorkom, als „enige dissident”, pleitte voor omvorming van de NAVO, „een instituut dat was voortgekomen uit de Koude Oorlog”, en die was nu voorbij.

Dat had hij goed gezien. Misschien dat zijn ideeën over zo’n ‘omgevormde’ NAVO niet erg realistisch waren – hij spreekt van „een geheel nieuwe Europese vredes- en veiligheidsorde” – maar dat de val van de Muur een geopolitieke aardschok was, die niet alleen fundamenten van de Amerikaans-Europese samenwerking (en dus van de NAVO), maar ook van de inter-Europese samenwerking zou aantasten, staat nu wel buiten kijf.

Toen echter leek dit nog niet tot die ambassadeurs en de minister, die erbij was, doorgedrongen. Van Gorkom spreekt van een „NAVO-fundamentalisme”, dat ongeschokt bleef.

Dit was ook mijn ervaring in die dagen: de val van de Muur had niets veranderd aan de grondslagen van het Nederlands buitenlands beleid, en die waren: Atlantische en Europese eenheid. In 1991 was Nederland nog „een bastion van communautaire orthodoxie” (aldus Luuk van Middelaar in zijn boek De passage naar Europa).

Nu, we hebben gezien wat daarvan terechtgekomen is. Op ‘zwarte maandag’ (30 september 1991) ging Nederland met zijn ideeën bij zijn Europese partners af „als een gieter”, zoals minister Van den Broek zelf zei. En in 2005 zouden de Nederlandse kiezers bij grote meerderheid een Europese grondwet verwerpen. De Nederlandse beleidsmakers hadden, samen met de volksvertegenwoordiging, in een droomwereld geleefd (Bob van den Bos deed daar in 2008 verslag van in zijn boek Mirakel en Debacle).

Je vraagt je af hoe het komt dat onze beleidslieden en hun voornaamste adviseurs twintig jaar geleden zelfs de mogelijkheid van die ontwikkelingen niet hebben voorzien. Laten de alledaagse beslommeringen en het vele gereis dat daarmee gepaard gaat, hun te weinig tijd voor reflectie (als ze daar al van nature geneigd toe zouden zijn)? Zo ja, dan geldt dit niet voor Van Gorkom.

Ook de NAVO heeft de gevolgen van 1989 ondergaan. Weliswaar zijn er, evenals bij de EU, vele leden bij gekomen, maar de fixatie op één thema, Rusland, is weg. Behalve bij de nieuwe leden – en dat zorgt dan juist voor een kloof binnen de NAVO. Wie is de eigenlijke ‘vijand’ die het bondgenootschap bijeenhoudt?

En Amerika, de grote bezieler van de NAVO, heeft thans andere zorgen: nu Rusland niet meer als het grote gevaar wordt gezien, verschuift zijn aandacht naar andere supermogendheden-in-wording, in de eerste plaats China – en daarbij heeft het Europa niet meer zo nodig, zeker niet wanneer Europa het maar mondjesmaat (of helemaal niet) steunt in andere crisisgebieden, zoals Afghanistan.

Kortom, we zitten nu midden in de gevolgen van de geopolitieke aardschok van 1989, die de top van Buitenlandse Zaken nog lange tijd daarna niet onder ogen wilde zien, zelfs niet in intellectuele gedachtenexercities. En nu? Nu is die top verdeeld over wat Nederland in Afghanistan moet doen: blijven (Verhagen) of weggaan (Koenders)? Veel leiding zal daar niet van uitgaan. De Amerikaanse topdiplomaat Holbrooke zegt niets van het Nederlandse beleid te begrijpen. Hier heeft blijkbaar Verhagens overredingskracht gefaald.

Daar zijn nu de gevolgen van de economisch crisis bij gekomen. In de epiloog van een rapport dat onlangs onder auspiciën van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid is uitgekomen (Aftershocks: economic crisis and institutional choice) schrijft Ben Knapen dat de „Amerikaanse politieke, financiële en industriële hegemonie begint weg te slippen”. En Europa? dat is „a smaller place in a bigger world” aan het worden. En Nederland is deel van dat gekrompen Europa.

Stof genoeg dus voor reflectie. Die schijnt voorlopig voorbehouden aan particuliere organisaties zoals de European Council on Foreign Relations, die onlangs in een vlijmscherpe analyse concludeert dat Europa er niet in geslaagd is „Amerika de soort van transatlantische partner te bezorgen waaraan het behoefte heeft, en daardoor juist de relatie met Amerika ondermijnt”. Van Rompuy en Ashton zullen daar niet veel verandering in brengen.

Waarlijk, de schrijver van een artikel dat in 1965 in de Internationale Spectator verscheen, was er niet zo erg naast toen hij schreef dat de Amerikanen „misschien niet zo happig zouden blijven de relatie met Europa te bestendigen, terwijl zijzelf de zwaarste lasten zouden blijven dragen, hetzij in Vietnam (lees nu: Afghanistan), hetzij in Europa zelf” en dat zij „wel eens zouden kunnen besluiten de Europeanen in hun eigen vette sop te laten gaar koken”.

Wilt u reageren? U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl of een reactie achterlaten op nrc.nl/heldring