2010 wordt een erg mager filmjaar

2009 is een succesjaar voor de Nederlandse publieksfilm.

Toch hebben regisseurs het moeilijk. Hun staat van dienst telt voor subsidies niet mee.

Het was een prima jaar voor de Nederlandse publieksfilm. Komt een vrouw bij de dokter was al na tien dagen Platina (440.000 kijkers); De Storm trok ruim 710.000 kijkers. Met nog twee trekkers deze maand – De hel van ’63 en de tweede Anubisfilm – is een marktaandeel van 15 procent voor Nederlandse film haalbaar.

Riant vergeleken met de jaren negentig, toen dat aandeel tussen de 4 en 7 procent schommelde. Het Filmfonds, dat de filmgelden verdeelt, heeft reden voor tevredenheid. Hoewel de vraag dan altijd is: dankzij of ondanks het Filmfonds? Ondanks, stelt veteraanproducent Anton Smit, tot voor kort werkzaam bij IDTV. Hij voorziet dat 2010 een mager jaar wordt. Behalve De gelukkige huisvrouw naar Heleen van Royen dienen zich geen grote publiekstrekkers aan. Succesvolle regisseurs zijn in between projects: Jean van de Velde, Martin Koolhoven, Steven de Jong. Anderen worstelen met het Filmfonds.

Joram Lürsen, wiens Alles is liefde in 2007 ruim 1,3 miljoen kaartjes verkocht, kreeg het script van Het geheim niet goedgekeurd, over een jongen die goochelaar wil worden. Hij doet televisiewerk. Dick Maas ontving dit jaar wel geld voor zijn horrorfilm Sint, waarin de goedheiligman zich tot kannibaal ontpopt. Maar pas na anderhalf jaar steggelen met het Filmfonds.

Ook Ben Sombogaart komt na Bride Flight en De Storm mogelijk droog te staan. Hij heeft vele ijzers in het vuur: Nadra, een waar gebeurd adoptiedrama rond een Maleisische moslima, Knielen op een bed violen en De koningin van Suriname. Het verst gevorderd is Isabelle, naar de roman van Tessa de Loo. Isabelle kost ruim 2 miljoen euro, maar het Filmfonds zegde vorig jaar een bescheiden bijdrage van bijna 3 ton toe. In Luxemburg, waar de film zich afspeelt, werd tweederde van de financiering geregeld. Nu sluit hij achteraan in de rij voor het loket de suppletieregeling, die eenderde bijschuift als de rest van het budget rond is. De regeling werkt op basis van ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’, de vraag is of er voor Sombogaart genoeg over is. „Het is een rare roulette”, zucht hij. „Je zit zo weer een jaar thuis.”

Al jaren neemt het Filmfonds zich voor succesvolle filmmakers meer continuïteit te garanderen. Maar dat blijft lippendienst, vindt Anton Smit. „De commissie speelfilm kijkt louter naar scripts. Bewezen talent aan het werk houden heeft geen prioriteit.” Het karige geld wordt verdeeld over te veel producenten. Dat probleem onderkent het Filmfonds, maar van het plan om tweederde van het budget over twaalf grote producenten te verdelen, werd weinig meer vernomen na felle protesten.

Bij het Filmfonds hebben drie intendanten een klein budget, het zwaartepunt ligt bij commissies. Kritiek spitst zich toe op die collegiale toetsing. De methode van subsidieverdeling door commissies van deskundigen kreeg recent een knauw door het Theu Boermans-arrest. De rechter achtte intrekking van de subsidie voor diens Theatercompagnie onrechtmatig: een schijn van partijdigheid ontstond omdat een commissielid zelf een aanvraag had lopen.

Anton Smit ziet een alternatief in het Deense model, met sterke filmintendanten die voor drie jaar worden benoemd. „Iemand die zich niet kan verschuilen achter gezamenlijke besluitvorming.” Een andere optie komt van Esmé Lammers. Zij presenteerde deze zomer het rapport Makers op waarde geschat, waarin ze samen met de Universiteit Twente een puntensysteem ontwierp waarin bewezen kwaliteit of succes wordt verrekend: voldoende punten levert soms automatisch subsidie op. Het Filmfonds liet in een eerste reactie weten er weinig voor te voelen zijn ‘inhoudelijke kwaliteitsoordeel’ op te geven. Wel belooft het Filmfonds volgend jaar een experiment om staat van dienst te laten meewegen.

Lammers: „Ik heb er een hard hoofd in dat het rapport nog uit de la komt. Dat mijn model inbreuk maakt op verworven rechten, begrijp ik. Wat ik niet begrijp, is dat minister Plasterk willekeur bij de verdeling van overheidsgeld toelaat.” Want, vervolgt Lammers, jaren intendant bij het Filmfonds, in de commissie zitten mensen met uiteenlopende ideeën over de films die nodig zijn. „Ze bakkeleien steeds weer over basiskwesties: of het Fonds voor publieksfilms of voor auteursfilms is. Elke vergadering een nieuw doel, geen peil op te trekken.”

Collegiale besluitvorming resulteert in middelmaat, vindt Lammers. En in onzekerheid, die Nederlandse filmmakers dwingt met hagel te schieten: vijf projecten in de lucht houden in de hoop dat er één wordt goedgekeurd. „Je denkt alleen na over wat de commissie en (het hoofd speelfilm) Dorien van de Pas mooi vinden. Dat kan niet de bedoeling zijn.”

    • Coen van Zwol