Volop vraag naar jonge ambachtslieden

Nederland heeft schoenmakers, goudsmeden, kleermakers, en leerbewerkers nodig. „We kunnen van alles bedenken, maar niemand kan het meer maken.”

05-03-2009 Foto: Marco Hofsté Skill Rotterdam Ahoy Hofste, Marco

Modeontwerper Jan Taminiau was laatst in China, op zoek naar bijzondere ambachten. Pottenbakken, borduren, naaien: Taminiau vindt daarin inspiratie voor zijn jurken. „Vorige keer viel het tegen. Zag ik daar ook al vrouwen op knoppen drukken.” Hij houdt van handwerk, volgens de ontwerper wereldwijd steeds schaarser. Maar in eigen land keert het ambacht langzaam terug. Er zijn weer vakscholen. En er is werk.

Veel werk zelfs, zegt het Hoofdbedrijfsschap Ambachten (HBA), brancheorganisatie voor vaklieden in veertig sectoren. Voorzitter Piet Kalle: „Ondanks de crisis is er nog altijd meer vraag naar vakmensen dan aanbod. Bovendien is de uitstroom door vergrijzing groot.”

Neem schoenmakers: hun aantal neemt snel af. In 2004 waren er nog 1008 bedrijfjes, twee jaar later waren er nog 780, rapporteert de SVGB, kennis- en opleidingscentrum voor vakmanschap. Veel schoenmakers gaan met pensioen en hebben geen opvolger. De enige opleiding voor ‘schoenherstellers’ leverde vorig jaar twaalf starters af. Ondertussen steeg de totale brancheomzet wel. Door de recessie stellen mensen de aankoop van schoenen uit en laten ze hun oude paar nog eens repareren.

„In de ambachten is vooral behoefte aan ondernemerschap”, zegt Wim Ummels van de SVGB. Schoen-, hoeden-, meubel-, of klokkenmakers, goud- en zilversmeden, pianoreparateurs: dat zijn vaak zelfstandigen zonder personeel, dus zonder vacatures. Door de vergrijzing is er wel ruimte voor nieuwe ondernemers, jaarlijks minimaal 300 volgens schattingen van het SVGB. „Het duurt vier jaar om een vak te leren. Als er nu geen aanwas is, is het tekort over een vier jaar nog veel groter”, waarschuwt Kalle. Bovendien gaat met de pensionering van ambachtslieden veel kennis verloren.

Tijd voor actie dus. De SVGB zette nieuwe mbo-vakopleidingen op. Het Hout- en Meubileringscollege in Rotterdam startte met ‘houttalent’, een opleiding voor de timmerindustrie. De Vakschool Schoonhoven leidt nu op tot glazenier (maker en reparateur van glas-in-loodramen). Sint Lucas in Boxtel begint volgend jaar de opleiding ‘creatief vakman’, waar jongeren leren werken met textiel, keramiek, leer of glas. Niet voor massaproductie, maar om de ideeën van kunstenaars en ontwerpers te kunnen uitvoeren.

Volgend jaar begint de Dutch HealthTec Academy, waar bijvoorbeeld tandtechnici en orthopedisch schoenmakers opgeleid worden. In hun branche, de gezondheidstechniek, waren op 1 juni van dit jaar al zo’n 400 vacatures. Door de vergrijzing zal de vraag naar gebitsprotheses en speciale schoenen alleen maar toenemen.

Het middelbaar onderwijs kent sinds vorig jaar Vakcolleges. Daar krijgen vmbo-leerlingen zes jaar veel praktijkles in techniek, met als eindpunt een mbo-diploma op niveau 2 of 3.

Ook de gemeente Amsterdam wil vakmanschap stimuleren, om jeugdwerkloosheid terug te dringen en de creatieve industrie te versterken. „Want we kunnen van alles bedenken, maar niemand kan het meer maken”, zegt Lucas Hendricks, die de gemeente adviseerde over vakmanschap. Zo heeft niet alleen Jan Taminiau, maar de hele Amsterdamse mode-industrie behoefte aan vakbekwame naaisters.

Vorige maand opende wethouder Asscher in Amsterdam-Noord een naaiatelier, waar ‘drop-outs’ werkervaring opdoen door prototypen en kleine collecties te maken [zie inzet]. Er zijn plannen voor een nieuwe opleiding in mode en theaterkostuums, waar leerlingen de titel ‘meester’ krijgen. Het Muziektheater krijgt een leerbedrijf, want ook aan grimeurs en decorbouwers is een tekort.

Door alle aandacht kiezen langzaam steeds meer jongeren voor een ambachtelijk beroep, ziet Wim Ummels van het SVGB. „Maar de instroom is nog niet zoals gewenst.”

Het ambacht kampt met een imagoprobleem. Branchevoorzitter Kalle: „Ouders van nu willen dat hun kinderen doorstuderen.” We waarderen handwerk niet meer, zegt ook Lucas Hendricks van de gemeente Amsterdam. „Jongeren denken alleen aan de timmerman. Maar je kunt ook games bouwen of meewerken aan een jurk van Jan Taminiau.”

Hendricks signaleert inmiddels wel het begin van een tegenbeweging. „Mensen willen weer weten waar hun product vandaan komt.” De biologische boer profiteert daar al van. Ook de vraag naar andere ambachtelijke producten zal stijgen, verwacht hij.

Verder ziet Hendricks voordelen voor de leefbaarheid van de stad. Vaklieden zijn vaak ondernemers met een winkel of atelier in hun eigen buurt. Die bedrijvigheid verbetert de sfeer. „Als in een wijk alleen maar mensen wonen, is er overdag, als zij werken, weinig te doen. Dat geeft een onveilig gevoel.” Hij oppert lagere huren, opdat vaklieden en winkeliers kunnen concurreren met supermarkten en terugkeren in de wijken.

Een goede ondernemer kan daar een succesvol ambachtelijk bedrijf opzetten, daarvan is Piet Kalle overtuigd. „Wie zijn vak verstaat, heeft brood op de plank. Het ambacht bestaat zolang de wereld bestaat en zal nog bestaan als de wereld vergaat. We kunnen niet missen wat mensen maken.”

    • Karlijn van Houwelingen