Vleeswaren

Geduldig stond ik bij de slager op mijn beurt te wachten, het lijstje met verlangde vleeswaren in de aanslag. Het was een doordeweekse middag met druilerig decemberweer, het type weer dat je al ’s ochtends bij de eerste aanblik doet beseffen dat het een volledig verknoeide dag gaat worden. December is dol op dit soort weer.

Buiten slenterden enkele doornatte toeristen rond, turend op plattegrondjes die slap als washandjes waren geworden. Ook voor steden heb je mooi weer nodig, dat vergeten toeristen nogal eens.

Er was nog één klant voor me, een Jordanees van tegen de veertig, die op amicale toon met een winkeljuffrouw van zijn leeftijd praatte.

Het woord winkeljuffrouw was eigenlijk te nuffig voor deze kordate, witgeschorte verschijning, die niet op haar helrood gestifte mond was gevallen.

Er waren nog drie andere winkeljuffrouwen, maar zij had onmiskenbaar het meeste charisma. Als zich een onverwachte ramp zou voltrekken – een brand, een actie van dierenactivisten – zou zij de leiding op zich nemen, misschien nog wel eerder dan de baas zelf, die nu in een hoek achter de toonbank zwijgend hammen stond uit te benen.

De Jordanees overhandigde een lijst met bestellingen die hij later in de week zou ophalen. De winkeljuffrouw keek snel de lijst door, knikte en stelde er enkele vragen over. De man antwoordde breedvoeriger dan me lief was.

„Het komt in orde, we zullen ervoor zorgen”, zei ze.

De man voltooide het gesprek door al pratend achterwaarts naar de deur te schuifelen en draaide zich daar definitief om. Het was een mollige middelgrote man in een kort jack en een grijze broek.

Toen hij de deur opende, riep de winkeljuffrouw hem achterna: „Wat hep je toch een mooi kontje in dat broekie!”

Het klonk als een zin uit een komische tv-serie. Carry Tefsen tegen Gerard Cox, zoiets. De man liet niet merken of hij het gehoord had. Hij stapte kalm over de drempel en verdween in de schemerige middag.

Ik schoot in de lach, en met mij enkele andere klanten. Maar die lach bestierf op onze lippen, omdat het leven achter de toonbank doorging alsof er niets gebeurd was. De baas bleef zwijgend zijn vlees uitbenen, de andere drie winkeljuffrouwen drentelden onaangedaan wat rond en de juffrouw van het mooie kontje keek me onbewogen aan en vroeg: „Kan ik u helpen?”

Verbouwereerd zocht ik steun bij mijn briefje en begon de vleeswaren op te lezen. „Een ons rookvlees, een ons schouderham, biefstukje...” Uiteraard allemaal biologisch zo verantwoord mogelijk vlees, anders krijg ik last met vegetarische lezers. Je kunt daar tegenwoordig niet voorzichtig genoeg mee zijn. Ik zag de mails al voor me: „U kunt altijd zogenaamd zo gevoelig over uw kat schrijven, maar intussen wél zwaar mishandelde dieren opvreten.”

Toen ik zelf de zaak verliet, hield ik één ondeelbaar moment rekening met de mogelijkheid dat die juffrouw mij dezelfde waarderende woorden zou toevoegen. Zonder hoop is er geen leven. Zou ik zo gevat zijn om iets passends terug te zeggen? Maar in godsnaam wát? Het volgende moment besefte ik alweer dat ik een lange regenjas droeg, te lang om uitzicht te bieden op iets wat trouwens helaas zijn beste jaren had gehad.

Achter mij bleef het stil, voor mij lag december. Toch maar moedig voorwaarts?

    • Frits Abrahams