Irak leek zich te stabiliseren

Al-Qaeda-in-Irak werd ver teruggeslagen, maar de organisatie is niet vernietigd.

En er zijn nog wel meer gewelddadige groepen. Gisteren vielen er 127 doden.

Smoke billows following an explosion in the Iraqi capital Baghdad on December 8, 2009. Central Baghdad was rocked by three massive explosions in quick succession, causing large plumes of smoke to rise into the air, an AFP correspondent witnessed. AFP PHOTO/AHMAD AL-RUBAYE AFP

Wie denkt dat het geweld in Irak voorbij was, of bijna voorbij, vergist zich. Dat heeft de serie gecoördineerde zware aanslagen op zwaarbewaakte regeringsgebouwen in Bagdad gisteren wel aangetoond. Gewapende groepen zijn nog steeds gemotiveerd en in staat hard en gericht toe te slaan. De Iraakse veiligheidsdiensten blijken er niet tegen opgewassen. Premier Maliki, de eindverantwoordelijke, heeft in het zicht van de parlementsverkiezingen op 7 maart een groot probleem met zijn geloofwaardigheid.

Het aantal burgerdoden door aanslagen en ander geweld was vorige maand weliswaar gedaald tot het laagste niveau sinds de Amerikaans-Britse invasie van maart 2003: de Iraakse ministeries van Binnenlandse Zaken, Defensie en Gezondheid spraken van 88 doden.

Dat aantal is nog steeds veel hoger dan in buurlanden. In Syrië, met ongeveer evenveel inwoners als Irak, vallen maandelijks ongeveer 15 doden door moord en doodslag. Daarbij betogen Iraakse burgers dat de autoriteiten veel minder doden melden dan er in werkelijkheid vallen. En met zeker 127 doden (en 500 gewonden) bij de drie aanslagen met autobommen van gisteren komt het maandtotaal voor december hoe dan ook hoger uit.

Maar Irak leek bijna stabiel geworden, in vergelijking met de maanden na de sunnitische aanslag op de bladgouden koepel van een belangrijk shi’itisch heiligdom in Samarra in februari 2006, toen shi’itische moordeskaders door leiders als Muqtada Sadr werden losgelaten op sunnitische burgers. Toen werden dagelijks meer mensen gedood dan de 88 doden in heel november.

Een combinatie van factoren maakte in 2007-2008 een voorlopig einde aan de burgeroorlog tussen sunnieten en shi’ieten. Sunnitische stammen keerden zich tegen de sunnitische extremisten van Al-Qaeda-in-Irak en gelijkgestemde groepen, de Amerikaanse regering stuurde 30.000 extra manschappen (The Surge) en Muqtada Sadr kondigde een staakt-het-vuren af.

Al-Qaeda-in-Irak werd ver teruggeslagen. Maar de organisatie werd niet vernietigd. Ook aanhangers van het Ba’athistische regime van Saddam Hussein, die zelf in december 2006 werd terechtgesteld, bleven actief. Afgezien daarvan zijn voor iedere organisatie die in geweld is geïnteresseerd in Irak haast onbeperkt wapens en explosieven voorhanden.

De eerste helft van dit jaar vielen elke maand nog vier-, vijfhonderd doden door aanslagen, met name in het gebied van Bagdad en in het noorden van het land. Het ging vooral om (zelfmoord)aanslagen op niet of nauwelijks bewaakte doelwitten (soft targets): afgelegen dorpen, heiligdommen en markten. De daders waren vaak vrouwen, waaruit de autoriteiten opmaakten dat Al-Qaeda, dat in dit soort terreur is gespecialiseerd, door de mannen heen raakte.

Nog steeds worden veel kleine aanslagen gepleegd op soft targets: winkels, cafés of politiepatrouilles. Maar met nu in totaal drie clusters van gecoördineerde aanslagen op zeer zwaar bewaakte regeringsgebouwen in Bagdad in minder dan vier maanden, geven de plegers een nieuwe koers aan. Bij de daders wordt allereerst gedacht aan Al-Qaeda-in-Irak. Mogelijk is daar een nieuw terreurbrein aan het werk.

Op 19 augustus van dit jaar vielen 106 doden en bijna 600 gewonden bij zelfmoordaanslagen op de ministeries van Buitenlandse Zaken en Financiën. Op 25 oktober volgden vergelijkbare aanslagen op het ministerie van Justitie en het gebouw van het provinciaal bestuur in de Iraakse hoofdstad met 153 doden en meer dan 500 gewonden. Gisteren werden het nieuwe gebouw van het ministerie van Financiën, het ministerie van Arbeid en een gerechtelijk gebouw opgeblazen.

Als het doel van de daders is de regering in diskrediet te brengen, zijn ze daar helemaal in geslaagd.

De Amerikaanse gevechtstroepen zijn aan het begin van de zomer uit de Iraakse steden teruggetrokken voorafgaand aan hun vertrek uit Irak dat binnen negen maanden een feit moet zijn. De Iraakse veiligheidsdiensten zijn sindsdien alleen verantwoordelijk voor de bescherming van de burgerij. Het feit alleen al dat het ministerie van Financiën opnieuw door een zware aanslag is getroffen, heeft politie en leger zwaar in verlegenheid gebracht. „Er is geen verklaring voor zulk verschrikkelijk falen”, zei een sunnitisch lid van de Provincieraad – waarvan het gebouw in oktober werd opgeblazen – tegen The New York Times. „De veiligheidsdiensten zijn volledig verantwoordelijk voor al dat bloed.”

Het herhaaldelijke falen van de veiligheidsdiensten straalt rechtstreeks af op premier Nouri al-Maliki. Hij won begin dit jaar de provinciale verkiezingen met de claim de burgers veiligheid te hebben gebracht. Voor de komende parlementsverkiezingen maakte hij zich op om zich opnieuw te presenteren als man van law and order. Politici van concurrerende partijen die verkiezingswinst ruiken, wezen gisteren dan ook meteen beschuldigend naar de premier. Hij beloofde immers iedere keer de veiligheidsmaatregelen te verscherpen, maar was niet in staat nieuwe zware aanslagen te voorkomen.

Net zoals in augustus en oktober beschuldigde Maliki op zijn beurt gisteren Al-Qaeda-in-Irak in samenwerking met Ba’athisten „met steun van buitenaf”, van de aanslagen met als doel „chaos te zaaien in het land”. Volgens hem was het geen toeval dat de zelfmoordacties volgden op de aanvaarding, na eindeloos getouwtrek, door het parlement van een wet die de komende verkiezingen mogelijk maakte. Al hebben aanslagen van deze omvang een lange voorbereidingstijd nodig.

Het Iraakse leger presenteerde in oktober verdachten op de televisie die de lezing van de autoriteiten „bekenden”. Het leidde tot een bekoeling van de relaties met Syrië – dat de organisatoren en daders niets in de weg zou hebben gelegd – maar veel Iraakse politici betwijfelden of de autoriteiten de echte daders te pakken hadden. Eerder is ook wel gesuggereerd dat politieke rivalen van de premier een hand in het geweld hadden. Maar daarvan is tot dusverre geen bewijs geleverd.

    • Carolien Roelants