Hoe individualisten groepsdenkers werden

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: gelijke rechten of democratische inspraak.

Het anders zo geruisloze Zwitserland werd vorige week wereldnieuws door een referendum waarmee de bouw van nieuwe minaretten werd verboden. Vooraf bleek nog uit peilingen dat een meerderheid van de Zwitsers tegen een minarettenverbod was, maar een felle campagne van de Zwitserse Volkspartij (SVP) leidde tot een verrassing bij de stembusgang: 57,5 procent van de kiezers stemde voor. Omdat volksraadplegingen in Zwitserland bindend zijn, verklaarde de regering het verbod diezelfde dag nog van kracht – ook al was ze zelf mordicus tegen.

Het nieuws leidde wereldwijd tot heftige en sterk verdeelde reacties. Het Vaticaan en de Verenigde Naties noemden het verbod respectievelijk „een zware aanslag op de godsdienstvrijheid” en „in strijd met de mensenrechten”. Ook in Nederland was er bezorgdheid. Minister Guusje Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) noemde het Zwitserse besluit „zeer bedroevend” en zei te hopen dat dit „nooit in Nederland gebeurt”.

PVV-leider Geert Wilders daarentegen vond de ban op minaretten „misschien wel het beste nieuws van het jaar” en stelde voor ook in eigen land een dergelijke referendum te organiseren – net als de collega’s van het Italiaanse Lega Nord en het Belgische Vlaams Belang. Ook het Franse Front National reageerde enthousiast op de uitslag, die volgens de partij aantoonde „hoe diep de kloof is tussen de gewone mensen en de elites”.

De Zwitserse regering ziet zich nu voor een ogenschijnlijk onoplosbaar dilemma gesteld. Wat telt zwaarder: gelijke rechten of democratische inspraak? Volksstemmingen houden geldt als een onvervreemdbaar recht in Zwitserland, dat nauw verbonden is met de nationale identiteit. Het referendum ongeldig verklaren zou een zware inbreuk op deze grondwettelijk vastgelegde vorm van directe democratie zijn. Maar tegelijkertijd druist het minarettenverbod zélf ook in tegen het grondwettelijke verbod op discriminatie: ze beperkt de vrijheid van een specifieke groep gelovigen. Een morele patstelling dus.

Die patstelling laat zien hoe ingewikkeld en paradoxaal het multiculturele vraagstuk is voor een liberale democratie. Hoeveel vrijheid en gelijkheid moet er worden gegund aan religieuze minderheden als zij deze waarden zélf niet altijd onderschrijven en praktiseren? En hoever mag de overheid gaan om zulke waarden, namens de culturele meerderheid, dan op te leggen? Voor een liberaal zijn dat onmogelijke vragen: intolerantie kan niet worden getolereerd, maar vrijdenken ook niet afgedwongen.

Ten grondslag aan het Zwitserse referendum lag in feite deze filosofische spagaat. Kiezen we voor een ‘waardenvrij’ liberalisme dat ruimte laat voor onliberale tradities en opvattingen, of kiezen we voor een ‘normatief’ liberalisme dat aanpassing eist aan het liberale (seculiere) gedachtegoed? De Zwitsers kozen met een nipte meerderheid voor dat laatste – een tendens die tegenwoordig overal in West-Europa waarneembaar is. Deels wordt die tendens waarschijnlijk ingegeven door een ongefundeerde angst voor moslims, maar haar helemaal afdoen als xenofobie is kortzichtig.

Dat westerse landen steeds meer op hun seculier-liberale strepen gaan staan, is namelijk ook een logisch gevolg van de filosofische ontwikkeling in het debat rondom multiculturalisme. De Canadese filosoof Will Kymlicka (1962), een van de meest gerespecteerde deskundigen op dit gebied, onderscheidt in zijn overzichtswerk Contemporary Political Philosophy (2002) grofweg drie fases in dat debat. Die fases zal ik hier als uitgangspunt nemen.

De eerste fase voert terug op de periode vóór de val van de Berlijnse Muur, in de jaren 70 en 80. De multiculturele samenleving stond destijds nog nauwelijks ter discussie in westerse democratieën. Filosofen en politici onderschreven bijna allemaal het zogenoemde principe van ‘goedaardige verwaarlozing’: culturele minderheden werden, uit naam van tolerantie, met rust gelaten en kregen alle ruimte voor het behoud van hun eigen taal en gewoontes.

Voor zover hier kritiek op was, kwam deze uitsluitend van liberalen die in het multiculturalisme een bedreiging voor de individuele vrijheid zagen. Dat wil zeggen: zij maakten zich met name zorgen om de individuele vrijheid van minderheden zelf. Kunnen zij, als ze dat willen, afstand nemen van de cultuur en religie waarmee ze opgroeien, vroegen zij zich af. Multiculturalisten brachten daar tegenin dat groepsvorming juist goed was voor de interne sociale cohesie. Het debat, zegt Kymlicka, was dus in eerste instantie „een debat tussen individualisten en groepsdenkers”.

In de loop van de jaren 90 veranderde de bezorgdheid van aard. Liberalen zagen het multiculturalisme minder als een bedreiging voor het individu, maar steeds meer als een bedreiging voor de sociale cohesie van de samenleving als geheel – door onder andere gettovorming en segregatie.

Met zoveel mensen die dusdanig verschillende opvattingen en gebruiken erop nahielden, rees de vraag in hoeverre multiculturalisme überhaupt verenigbaar was met het liberalisme. Ter discussie kwam nu niet zozeer het gebrek aan vrijheid van de individuele immigrant te staan, maar eerder het teveel aan vrijheid waarmee zij zich als groep aan de samenleving onttrokken. Zo veranderde het debat tussen individualisten en groepsdenkers in een debat „tussen liberalen onderling”, aldus Kymlicka.

In de derde fase, aan het begin van de 21ste eeuw, raakte dit debat tenslotte verbonden aan de natiestaat. Om de vraag te kunnen beantwoorden in hoeverre multiculturalisme verenigbaar was met een liberale democratie, moest immers eerst worden bepaald wat de wezenskenmerken van een dergelijke samenleving waren. ‘Waar staat dit land voor?’, luidde voortaan de centrale vraag in het debat. Zo werd de houding van liberalen (noodgedwongen) normatiever: het ging niet meer om het bewerkstelligen van negatieve vrijheid (vrij zijn van culturele en religieuze groepsdwang), maar om het formuleren van positieve vrijheid (vrij zijn om een nationale cultuur te delen).

Zo ontstond er een spanningsveld over de vraag „in hoeverre pogingen om een nationale identiteit te formuleren door een dominante meerderheid onrechtvaardige verplichtingen creëerden voor minderheden”, aldus Kymlicka. Nederland staat hierin dus niet alleen. Integendeel, bijna alle westerse democratieën hebben vanwege immigratie pogingen ondernomen een eenduidige cultuur te formuleren en op te leggen.

Opvallende uitzondering op die regel was tot voor kort: Zwitserland. Maar ook daar is het debat over de multiculturele samenleving inmiddels in de derde fase beland, met een steeds scherpere scheiding tussen waardenvrije en normatieve liberalen als gevolg. De een noemt het minarettenverbod een beperking van de vrijheid om een geloof te belijden, de ander vindt het juist een vrijwaring van andermans opdringerige religieuze symbolen.

Het debat over multiculturalisme is dus eigenlijk geen debat meer over multiculturalisme, maar een discussie over de reikwijdte van het liberalisme. Nagenoeg alle partijen en groepen onderschrijven, publiekelijk althans, de basiswaarden van het liberalisme – men verschilt alleen fundamenteel van mening over de betekenis ervan.

Ironisch genoeg lijkt de rolverdeling in de discussie na veertig jaar wel te zijn omgedraaid. Tegenwoordig zijn het vooral de minderheden die zich beroepen op hun individuele autonomie en universele rechten (vrijheid van godsdienst), terwijl veel liberalen zich juist als groepsdenkers opstellen door op te komen voor de culturele vrijheden van een door landsgrenzen gedefinieerde meerderheid.

Wat de volgende fase in het debat zal zijn, valt dan ook niet te voorspellen. Het hangt volledig af van het soort liberalisme dat we zeggen voor te staan. Betekent vrijheid: vrij zijn ván elkaar of vrij zijn mét elkaar? Voor beide valt veel te zeggen. Misschien moeten we in Nederland daar een referendum over houden.