Geen schaamte meer voor koloniale grandeur

Het 19de-eeuwse museum is in oude luister herstelt. De presentatie van objecten is eigentijds, naar voorbeeld van moderne kunstmusea. „Een object is een object; het gaat om de presentatie.”

Weg moest de uitstraling van ‘volkenkundig museum’. Dat was schools, betuttelend, en – laten we eerlijk zijn – een beetje ‘regionaal’. Toen directeur Stanley Bremer van het Wereldmuseum in Rotterdam 8 jaar geleden aantrad, kondigde hij grootse veranderingen aan. Het monumentale gebouw uit 1850, met zijn imposante trappenhuis, gouden ornamenten en decadente balzaal, moest in al zijn 19de eeuwse luister worden hersteld. Het pand hoefde zich van Bremer niet langer te schamen voor zijn koloniale grandeur.

Ook moest de omvangrijke collectie volkenkundige artefacten (nu 2000 stuks) anders worden gepresenteerd: strak, modern, als „krachtige autonome expressies van kunst”. Museum en collectie waren zich in de jaren tachtig te zeer gaan richten op „de onderkant van de samenleving”, volgens Bremer, en daarbij te diep door de knieën gegaan. „Het publiek van daarvoor voelde zich daar niet bij thuis, maar de beoogde ‘nieuwe bezoeker’ kwam ook niet.”

Het duurde lang voor de nieuwe directeur genoeg bijval kreeg voor zijn plan – een aantal medewerkers vertrok uit onvrede, twee werden er ontslagen. Twee jaar geleden werd met de verbouwing begonnen, en deze week is het werk af. Bremer: „Amsterdamse musea vinden dat snel; in Rotterdam noemen ze het langzaam.” De opknapbeurt koste 12 miljoen euro, opgebracht door het museum zelf, de gemeente Rotterdam en de Bankgiro Loterij. Morgen heropent het museum officieel, met de thematentoonstelling Oceanië; tekens van riten, symbolen en gezag.

Het is een verbluffende transformatie. De entree, oogverblindend wit, en met een ronde, neonverlichte receptie, doet denken aan een designhotel. Hier is ook de monumentale trap herrezen die in de jaren tachtig moest verdwijnen. Compleet reconstrueren met de oude materialen – gietijzer, eikenhout, werd te duur. Daarom is de trap nu van ‘yellow popler’; geelpopulier. Dat materiaal is zachter dan eiken, en dus kozen de vormgevers voor een harde witte lak. Aangezien die geen honderdduizenden schoenzolen per jaar verdraagt, werd een weelderige rode loper opgetrokken. Pretentieus, maar het werkt.

Opdat niet wordt vergeten dat dit wel degelijk een volkenkundig museum is, slingeren de treden zich rond de langste Bisjpaal van Europa: 12,5 meter hoog. In witte nissen in het trappenhuis staan ontzagwekkende objecten uit de collectie. Naast de 19de eeuwse trap suist geruisloos een glazen lift – klassiek en modern gaan moeiteloos samen. Bremer heeft goed gekeken naar musea in Londen en Parijs, vertelt hij. „En dan vind ik de Londense musea eigenlijk beter dan de Parijse, eigentijdser. Het Tate Modern was een voorbeeld.”

Die aanpak, van een modern kunstmuseum, vertaalt zich ook in de presentatie van de collectie en de tijdelijke exposities. In de zalen overheersen sobere grijstinten. Bij de Oceanië-expositie zweven lichte, transparante vitrines in de ruimte. Ze lijken achteloos over het oppervlak gestrooid; er is geen volgorde, geen hiërarchie, de bezoeker wordt niet aan de hand genomen maar bepaalt zijn eigen route. Het is tegen de trend, maar te midden van veel steeds speelsere, interactieve en multimediale musea, is deze volwassen benadering een verademing.

Op een paar plekken herinnert het museum nog aan de verzamelplaats voor etnografische curiosa die het was. Zo zijn, met behulp van langdurige bruiklenen van een Nederlands-Zwitserse verzamelaarsfamilie, een Tibetaanse troonopstelling, een verboden tempel en een ‘mandala’-ruimte ingericht. Historisch en ritueel gezien klopt het allemaal, en het kan zijn dat een dergelijke authentieke opstelling van zo’n grote hoeveelheid objecten inderdaad nergens anders ter wereld te zien is, zoals het museum stelt. Maar vooral de Tibetaanse troonopstelling vormt met zijn bonte overdaad van fel schitterende, geel-gouden beelden en veelkleurige kleden en gewaden een breuk met de sobere presentatie elders in het museum. Dit is toch nog meer het volkenkundige museum ‘oude stijl’; waar bijvoorbeeld een levensecht Afrikaans dorp werd nagebootst.

Wel heel mooi zijn de door de vormgevers bedachte ‘erkers’, waar een aantal beelden, bijvoorbeeld de beschermgoden van de Molukken, of de fantasierijke maskers van het ‘geheime Dukduk-genootschap’, bij elkaar op een klein podiumpje wordt gepresenteerd. Door de kale achtergrond, de subtiele (paarse, blauwe of gele) belichting en de sterke fysieke nabijheid van de werken maakt deze opstelling grote indruk. Toegankelijkheid en transparantie creëren, was het idee. Maar het mooie is dat de werken door hun geïsoleerde positie op zo’n ‘podium’ aan expressieve kracht winnen. Ze zijn dus weliswaar toegankelijk, maar boezemen ook ontzag in – zoals het hoort, bij echte kunst.

De vraag dringt zich natuurlijk wel op of deze museale inrichting zijn doel niet voorbij schiet. Willen bezoekers van een volkenkundig museum, onder wie scholieren, niet juist de beleving van het Afrikaanse dorp? Jaag je hen met deze esthetische, abstracte presentatie niet weg? „Integendeel”, denkt Bremer. „Kinderen vinden het toch ook interessant als je ze volwassen benadert? Juist de laag-bij-de-grondse aanpak werkte niet. Dat wezen de bezoekcijfers wel uit.”

Sjoerd de Vries, gastconservator Tibet, denkt evenmin dat er verschil hoeft te zijn in de presentatie van historische volkenkundige objecten of eigentijdse abstracte kunst. „Een object is een object, en daar moet je naar kunnen kijken op de prettigste manier. Wat ons betreft is dat deze: transparant en toegankelijk, maar tegelijk chique en een beetje statig. Als zo’n inrichting leidt tot een aangename sfeer, dan maakt het niet uit of je naar een Van Gogh of een voorouderschedel kijkt.”

    • Marleen Luijt
    • Herien Wensink