Geen geld voor trage studenten

Universiteiten en hogescholen krijgen vanaf 2011 minder geld van het Rijk voor studenten die niet op tijd afstuderen. Dat stelt minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) deze week voor aan de Tweede Kamer.

Het bekostigingsmodel is een uitwerking van de plannen die Plasterk al in november 2007 ontvouwde.

Het plan heeft vooral verstrekkende gevolgen voor universiteiten. Hun rijksbijdrage hangt nu grotendeels af van het aantal uitgereikte bachelor- en masterdiploma’s. De helft van het budget wordt toegekend op basis van het aantal studenten dat de studie met een diploma afrondt, 13 procent hangt af van het aantal eerstejaarsstudenten, 37 procent is een vast bedrag.

In het nieuwe model zal het aantal afgestudeerden voor nog maar 20 procent van het budget van belang zijn. Het aantal ingeschreven studenten zal dan voor 60 procent meetellen, het vaste bedrag zal worden verlaagd van 37 naar 20 procent.

Een woordvoerder van universiteitenvereniging VSNU laat weten dat de universiteiten de komende maanden zullen onderhandelen over de percentages. „Het vaste bedrag kan nog flink hoger worden.”

Minister Plasterk heeft een belangrijke voorwaarde verbonden aan de financiering. Universiteiten en hogescholen krijgen alleen geld voor studenten die ‘nominaal’ studeren. Dat betekent dat ze hun studie binnen de geplande tijd afronden. Voor bachelorstudenten is dat drie (universiteit) of vier jaar (hbo). Masters duren één of twee jaar.

Vanaf het moment dat een student de nominale duur van een studie overschrijdt en toch ingeschreven blijft, krijgt de instelling geen geld meer van het Rijk. Pas als de student zijn opleiding alsnog afrondt, krijgt de instelling nog een bedrag.

Voor hogescholen heeft het nieuwe financieringsmodel minder verstrekkende gevolgen. Hogescholen worden al beloond voor het tempo waarin ze studenten laten afstuderen.

Of, en hoe universiteiten meer druk op studenten gaan uitoefenen om op tijd af te studeren als het voorstel wordt aangenomen, is onbekend.

    • Bart Funnekotter