Bommen in Bagdad zijn slag voor premier

De nieuwe aanslagen op zwaar bewaakte regeringsgebouwen in Bagdad ondergraven de geloofwaardigheid van premier al-Maliki.

De terreur in Irak heeft een nieuwe koers ingeslagen. Voor de derde keer in minder dan vier maanden werden gisteren drie zeer zwaar bewaakte regeringsgebouwen in Bagdad binnen tien minuten door zelfmoordterroristen getroffen. Dat vergt een grondige voorbereiding: verkenning van de doelen, omkoping van of infiltratie in de talrijke controleposten bij wegversperringen eromheen.

Heel wat anders dan de dagelijkse aanslagen van de laatste jaren op soft targets, niet of nauwelijks bewaakte afgelegen dorpen, markten, moskeeën of voorbijrijdende politiepatrouilles waarbij elke maand ook nog altijd minimaal tientallen doden vallen. Een voorbeeld daarvan was vanochtend de explosie van een onder vuilnis verborgen bom in Bagdad waarbij twee doden vielen.

Op 19 augustus vielen 106 doden en bijna 600 gewonden bij zelfmoordaanslagen op de ministeries van Buitenlandse Zaken en Financiën. Op 25 oktober volgden vergelijkbare aanslagen op het ministerie van Justitie en het gebouw van het provinciaal bestuur in de Iraakse hoofdstad met 153 doden en meer dan 500 gewonden. Gisteren werden 127 mensen gedood en 425 gewond toen het nieuwe gebouw van het ministerie van Financiën, het ministerie van Arbeid en een gerechtelijk gebouw werden opgeblazen.

Afgezien van de dode burgers is premier Nouri al-Maliki voorlopig het belangrijkste slachtoffer. Zijn geloofwaardigheid als man die Irak weer een vorm van normaliteit heeft teruggebracht, heeft in het zicht van de parlementsverkiezingen op 7 maart een nieuwe klap gekregen.

Maliki won begin dit jaar de provinciale verkiezingen met de claim de burgers veiligheid te hebben gebracht. Met zijn nationalistische partij Dawlat al-Qanun, Arabisch voor ‘staat van het recht’, wil hij bij de komende parlementsverkiezingen opnieuw winnen als man van orde en gezag. Dat, en daarmee een volgende termijn, is problematisch geworden.

De burgers en zijn politieke tegenstanders zijn niet vergeten dat de premier na de aanslagen van augustus en oktober verscherpte veiligheidsmaatregelen aankondigde en roepen hem luidkeels ter verantwoording. Het feit alleen al dat het ministerie van Financiën opnieuw door een aanslag is getroffen, heeft de Iraakse veiligheidsdiensten en daarmee Maliki als politiek verantwoordelijke in grote verlegenheid gebracht. Sinds 1 juli van dit jaar zijn geen Amerikaanse troepen meer in de steden gelegerd waarnaar kan worden doorverwezen. Het parlement wijdt morgen een speciale zitting aan het falen van de autoriteiten. Maliki wordt ook verwacht, zo liet vanochtend de parlementsvoorzitter weten.

Geen enkele organisatie heeft tot dusverre de verantwoordelijkheid voor de aanslagen opgeëist, hoewel extremistische websites Al-Qaeda-in-Irak gelukwensten. Op het eerste gezicht wijst de manier van doen – gecoördineerde zelfmoordterreur – inderdaad op de sunnitische extremisten van Al-Qaeda-in-Irak.

In vergelijking met de situatie in 2005 en 2006, toen Al-Qaeda hele steden en regio’s in het sunnitische deel van Irak beheerste, is de organisatie ver teruggeslagen. Maar de autoriteiten zijn er niet in geslaagd de groep te vernietigen.

De vraag is of de nieuwe koers duidt op een nieuw brein of dat de groep voor deze grote terreuracties andere opdrachtgevers heeft.

Maliki en zijn aanhangers in de coalitieregering van shi’ieten, sunnieten en Koerden, hebben net als de vorige keren aanhangers van het Ba’athistische bewind van Saddam Hussein, die zelf in december 2006 werd terechtgesteld, medeverantwoordelijk gesteld. Doel is, zo herhaalde Maliki gisteren, „chaos in het land te zaaien”. Volgens hem was het geen toeval dat de zelfmoordacties direct volgden op de aanvaarding, na eindeloos getouwtrek, door het parlement van een wet die de komende verkiezingen mogelijk maakte. De noodzakelijke voorbereidingen voor deze gecompliceerde cluster van aanslagen, maken dat echter onwaarschijnlijk.

In oktober presenteerde het leger verdachten op de televisie die ‘bekenden’ dat Ba’athisten die in Syrië hun toevlucht hebben gezocht de aanslag hadden beraamd en door Al-Qaeda-in-Irak hadden laten uitvoeren. Het leidde tot een bekoeling van de relaties met Syrië – dat de organisatoren en daders volgens Maliki’s aanhang in de regering niets in de weg zou hebben gelegd – maar veel Iraakse politici betwijfelden of de autoriteiten de echte daders te pakken hadden.

Eerder is ook wel gesuggereerd dat politieke rivalen van de premier een hand in het geweld hadden. Maar daarvan is tot dusverre geen bewijs geleverd.

    • Carolien Roelants