Pers betaalt voor verminderde interesse van Westen

De pers in het Midden-Oosten is er slecht aan toe. Het heeft onder andere te maken met verminderde westerse interesse voor het gebied.

In Irak werd vorige maand Imad al-Ibadi, directeur van Al-Diyar TV, in het hoofd, de nek en de borst geschoten. Ibadi heeft volgens de Internationale Federatie van Journalisten (IFJ) corruptie in het presidentieel bureau en onwettige acties van de Iraakse veiligheidsdiensten aan het licht gebracht. Dat zijn in het Midden-Oosten levensgevaarlijke onderwerpen.

De IFJ beschuldigde de Iraakse regering van „schandalige onachtzaamheid” omdat geweld tegen journalisten ongestraft blijft. Na de aanslag zetten de autoriteiten 300 man in om Ibadi in het ziekenhuis te bewaken.

De situatie van de pers in het Midden-Oosten is heel slecht, en wordt volgens diverse internationale en Arabische pers- en mensenrechtenorganisaties nog slechter dan zij al was. Dat is voor een deel toe te schrijven aan de vermindering van de druk van de internationale gemeenschap op de regimes om te democratiseren, zeggen vertegenwoordigers van deze organisaties.

De afgelopen weken werden in het Midden-Oosten onder andere:

drie Iraanse kranten verboden die kritisch stonden ten opzichte van de regering en twee journalisten tot zes en negen jaar gevangenisstraf veroordeeld;

een Marokkaanse krant verboden, zijn hoofdredacteur gevangen gezet, wegens artikelen over de gezondheid van koning Mohammed VI;

een Jemenitische journalist bij verstek tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld en voor het leven uit alle journalistieke arbeid gezet – hij had de president van Jemen een massavernietigingswapen genoemd;

vier andere Jemenitische journalisten blijven vermist, naar wordt aangenomen zijn ze in handen van de veiligheidsdiensten.

In niet-genoemde landen is de situatie niet beter. Tunesië maakte zich kwaad op de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Bernard Kouchner, omdat die zich „teleurgesteld” had getoond over arrestaties van journalisten.

Persvrijheid is in de meeste Midden-Oosterse landen gegarandeerd in de grondwet, maar weer ingeperkt in strafwetgeving. Een voorbeeld is Egypte „met een arsenaal aan repressieve wetten om diegenen te straffen die de moed hebben om de regering ter verantwoording te roepen en te kritiseren”, aldus een deze week gepubliceerde studie van het Arabisch Netwerk voor Mensenrechten Informatie (ANHRI) in Kairo.

Alles wat kan worden geïnterpreteerd als kritiek op het leiderschap is taboe. Een Iraakse rechter veroordeelde vorige maand de Britse Guardian tot een boete van ongeveer 80.000 euro wegens een artikel waarin premier Maliki als toenemend autoritair werd aangeduid. Volgens recente Iraakse overheidsregels kunnen media die „terrorisme, geweld en spanningen” aanmoedigen worden verboden.

In sommige landen zijn er concrete ontwikkelingen die verscherping van de controle van de pers verklaren. „De verslechtering in Jemen heeft te maken met de oorlog in het noorden en de groeiende opstandigheid in het zuiden van het land”, zegt Soazig Dollet van Reporters zonder Grenzen (RSF)-Midden-Oosten in een telefonisch interview. „Het is een soort media-black-out door de overheid.”

„En het is zeer zorgwekkend dat niemand de toestand van de media in Jemen aan de orde stelt”, voegt ze eraan toe.

Verscheidene bronnen leggen een deel van de schuld voor de maatregelen tegen de pers bij de (westerse) buitenwereld, die mede uit angst voor de val van betrouwbare bondgenoten geen druk meer uitoefent om te democratiseren.

„Het is waar dat de situatie niet beter wordt”, antwoordt Sa’eda Kilani, directeur Midden-Oosten en Noord-Afrika van Article 19, een organisatie die strijdt voor de vrijheid van meningsuiting, op vragen per e-mail over de toestand van de pers. „De reden is waarschijnlijk dat de belangstelling van de regimes voor hervormingen, democratie en persvrijheid is verminderd. En dat kan weer worden toegeschreven aan het verlies van interesse van de internationale gemeenschap en de vermindering van de druk op de regimes.”

In het klassement voor de persvrijheid van Reporters zonder Grenzen verkeren Midden-Oosterse landen in de onderste regionen. Op de drie na onderste plaats, op 172, staat Iran – waar de al bestaande repressie nog is verscherpt sinds de omstreden herverkiezing van president Ahmadinejad. Jemen volgt op 167 en Syrië op 165, vlak achter Saoedi-Arabië (163), de Palestijnse gebieden (161) en Libië (156). Irak heeft het nog tot 145 gebracht. Marokko, nu op 127, zette volgens RSF de val voort die het drie jaar geleden inzette. Hoogste Arabische landen op de index zijn Koeweit (60) en Libanon (61).

„De Arabische regimes voelen zich bevrijd van druk van de internationale gemeenschap tot hervormingen”, bevestigt Bahey eldin Hassan, directeur van het Kairo Instituut voor Mensenrechtenstudies, in een telefonisch vraaggesprek. „Na 9/11 was de internationale gemeenschap het eens dat serieuze hervormingen moesten worden doorgevoerd. Maar sinds 2006 is die druk verdwenen. En ik denk dat die druk noodzakelijk is.”

Zelfs in Marokko, dat vaak als voorbeeld wordt gegeven van een Arabisch land dat wel democratiseert, is sprake van een verslechtering, aldus Hassan, al blijft het daar beter dan in de meeste andere landen. „Maar wat er daar aan de gang is in de laatste paar jaar, is alarmerend. De reden is dat de regering erin is geslaagd de oppositie dusdanig te verzwakken door coöptatie van groepen daaruit, dat zij geen serieuze bedreiging meer vormt.” Volgens Soazig Dollet van RSF ziet koning Mohammed VI tien jaar na zijn aantreden „geen noodzaak meer om te democratiseren”.