Met Flaubert op mummiejacht

Expositie Het Egypte van Gustave Flaubert. Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28, Leiden. Te zien tot 4 april 2010.

Op 22 oktober 1849, om vijf uur ’s middags, verlaat de 28-jarige Gustave Flaubert het huis van zijn moeder in Nogent. Zij slaakt een ijselijke kreet, alsof ze hem nooit meer terug zal zien. Hij steekt een sigaar op, onderdrukt zijn tranen. De buurman adviseert hem zijn testament te maken. Flaubert begint aan een grote reis, waar hij zich al jaren op verheugt: Egypte, Libanon, Palestina en via Turkije, Griekenland en Italië weer terug naar huis. Een reis van ruim anderhalf jaar.

De deze week geopende expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden tracht het eerste deel van deze reis – die naar Egypte – te laten herleven en slaagt daar wonderwel in. Dankzij een uitgekiende combinatie van op elkaar afgestemde foto’s, dagboek- en brieffragmenten en oud Egyptische voorwerpen, grotendeels uit het depot van het museum, treed je in de voetsporen van de Franse schrijver en zijn vriend Maxime Du Camp. Van Alexandrië in het noorden reisden ze naar Soedan, langs de piramide van Cheops, de Amontempel in Luxor tot aan de kolossen van Aboe Simbel in het zuiden en weer terug.

Flaubert, van jongs af aan gefascineerd door de Oriënt, had net zijn roman La tentation de St. Antoine, over de helse verleidingen waaraan de Egyptische kluizenaar uit de derde eeuw werd blootgesteld, voorgelezen aan enkele intimi. Ze hadden het boek unaniem afgekraakt. Flaubert was dus toe aan een nieuwe impuls.

Du Camp was gefascineerd door een nieuwe technologie, die van de fotografie, en had van het Ministère de l’Instruction Publique de officiële opdracht gekregen de Egyptische monumenten te fotograferen. Een tijdrovende zaak, toentertijd. De chemicaliën raakten in hun glazen potjes door de hitte bijna aan de kook en het zand knarste in de fijne apparatuur. „Al mijn vingers zijn zwart geworden door zilvernitraat”, schrijft Flaubert aan zijn moeder op 3 mei 1850, „omdat ik mijn partner geholpen heb, gister, in Armant, bij zijn fotografisch werk.”

De foto die ze toen samen maakten van de tempel ter ere van de oorlogsgod Montoe is op de expositie te zien. Vergroot, mooi van achteren verlicht, korrelig en toch opvallend scherp. De tempel, gebouwd in opdracht van koningin Cleopatra VII (eerste eeuw voor Chr.), is alleen nog dankzij deze afbeelding te zien. Vlak erna werd hij afgebroken en werden de stenen gebruikt voor de aanleg van een suikerfabriek. „Op de kapitelen van de zuilen zitten duiven van naburige duiventillen”, schrijft Flaubert in zijn dagboek, „de efendi van Moestafa bey, een ooglijder, vergezelt ons terug naar de boot; hij doet ons Arabische kazen cadeau, kleine, witte magere kazen, niet te vreten wat mij betreft.”

Zelf wilde Flaubert niet op de foto. Het begin van de expositie toont de enige die Du Camp van hem mocht maken. Hij is en profil genomen, in de tuin van Hotel du Nil in Caïro, gekleed „in Nubisch kostuum, met de tarboesj (fez)”, en met de baard en de snor die hem later tijdens de reis de bijnaam ‘Abou Schenep’ (vader van de snor) zouden bezorgen.

Vanuit Caïro bezoeken de heren de piramides en de grote sfinx bij Gizeh. Als ze dichterbij komen raakt Flaubert in extase en geeft hij zijn paard de sporen. „We maken halt voor de sfinx, hij laat zijn ijzingwekkende blik op ons rusten; Maxime ziet wit als een doek, ik vrees te gaan duizelen en tracht mezelf weer meester te worden.” Hier toont conservator Christian Greco een van de topstukken uit de collectie, een indrukwekkende sfinx met ramskop (ongeveer twaalfde eeuw v. Chr), zoals ze in Luxor bijvoorbeeld nog steeds te zien zijn als wachters langs de toegangswegen tot de tempel.

Een ander bijzonder stuk is de kop van koning Amenhotep III, die in de veertiende eeuw voor Christus Thebe regeerde. Schitterend zijn zijn dubbele kroon van Boven en Beneden Egypte, zijn amandelvormige ogen en volle mond, zoals een heerser toen werd afgebeeld. Amenhotep liet een enorme dodentempel bouwen, waarvan de ingang werd bewaard door twee twintig meter hoge koningsbeelden, de ook nu nog bestaande kolossen van Memnon. „Ze zijn wel groot, maar helemaal niet indrukwekkend”, schrijft Flaubert in zijn dagboek, „heel anders dan de sfinx! De Griekse inscripties zijn duidelijk leesbaar, het is een koud kunstje geweest ze te ontdekken.”

Flaubert raakt in de loop van de reis zijn oorspronkelijke enthousiasme kwijt. Hij begint zich zelfs te vervelen. De fantasieën die hij, zoals veel Europeanen, koesterde over de paradijselijke, sensuele Oriënt vol gewillige vrouwen, blijken een illusie. „Wat is dat toch, mijn god, dat voortdurende gevoel van neerslachtigheid dat ik met me meesleep!” En later: „De Egyptische tempels hangen me grondig de keel uit.” (29 maart 1850)

Het weerhield hem er niet van zijn voornemen mummies mee naar huis te nemen te realiseren. Zijn moeder belooft hij katten- of ibismummies. Op 12 december van dat jaar bezoeken ze de grotten der krokodillen, bij Maabdah/Samoun. „Niet zelden moet ik op mijn rug gaan liggen en me voortkronkelen als een slang (...) Een warwinkel van mummies, je hoort bot onder je voeten kraken, steekt een hand uit en vist een arm op.” Du Camp brak een aantal mummies open, „op zoek naar scarabeeën in hun met bitumen gevulde buiken. Van een heb ik een vergulde voet meegenomen, van een ander het hoofd met de lange vlechten, en van een derde de droge zwarte handen.”

Flaubert bewaarde voor de rest van zijn leven een mummievoet uit de grot in zijn studeerkamer in Croisset. Een dergelijk exemplaar is ook te zien in Leiden. Bij thuiskomst begon hij aan zijn meesterwerk, Madame Bovary, waarin hij opnieuw vorm gaf aan zijn droom elders het paradijs te vinden.