De zilveren generatie

Ouder worden is geen verdienste. Dus de vraag waarom oudere werknemers louter op grond van anciënniteit beter betaald worden, langere vakanties hebben en over royalere sociale verzekeringen beschikken, mag gesteld worden. Minister Donner (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, CDA) heeft dat gedaan in de notitie Arbeidsparticipatie ouderen die hij gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Stap één die het kabinet heeft gezet om de arbeidsdeelname van ouderen in Nederland te vergroten, is de aangekondigde verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2020. Daaraan zijn maatregelen van eerdere kabinetten voorafgegaan: afschaffing van de vut, fiscale ontmoediging van prepensioenregelingen. Stap twee is het treffen van maatregelen om de 55-plussers ook echt aan het werk te houden of te krijgen.

Aan de noodzaak van dit voornemen valt moeilijk te twijfelen. Op de eerste plaats vragen de stijgende kosten van de vergrijzing erom. Op de tweede plaats heeft Nederland een probleem dat door de huidige financiële crisis en oplopende werkloosheid tijdelijk aan het zicht wordt onttrokken, maar dat er wel is: de krapte op de arbeidsmarkt. Het aanbod van werknemers gaat dalen, en aangezien veel Nederlanders er niet zo van lijken te houden om arbeiders uit het buitenland te halen, zal er iets anders moeten gebeuren. Meer ouderen langer aan het werk dus.

Of dat beleid succesvol wordt, hangt in hoge mate af van de generatie die nu net onder die leeftijd zit: de leeftijdsgroep 47-54 jaar. Tachtig procent van hen heeft een betaalde baan, tegen 47 procent van de 55- tot en met 64-jarigen. Dat laatste is overigens al aanzienlijk meer dan medio de jaren negentig, toen maar 25 procent van deze leeftijdsgroep op de arbeidsmarkt actief was.

Minister Donner heeft zijn hoop gevestigd op de werkenden direct onder de leeftijd van 55, die met de verhoging van de AOW-leeftijd naar respectievelijk 66 en 67 jaar te maken zullen krijgen, en die hij aanduidt als de „zilveren generatie”. Maar dat is dan wel een groep die straks in een „gouden kooi” zit, zoals het Centraal Planbureau dat eerder formuleerde in een studie naar de positie van oudere werknemers. De omstandigheden dus die hen immobiel en duur maken op de arbeidsmarkt, ook in geval van ontslag. Kortweg gezegd: onaantrekkelijk voor werkgevers.

Met allerlei stimulerende fiscale maatregelen en subsidies of juist versobering van regelingen die voor ouderen voordelig zijn, tracht het kabinet een bijdrage te leveren aan de vergroting van hun arbeidsparticipatie. En de minister kondigt wettelijke maatregelen aan die bedrijven en werknemers straks verplicht tot permanente scholing.

Maar duidelijk is dat het kabinet er daarmee niet komt. De minister gaat niet over beloningssystemen of cao’s. Veel regelingen stammen uit een periode waarin ze noodzakelijk werden geacht om jeugdwerkloosheid te bestrijden. De vraag van nu is een andere: hoe houden we ouderen aan de slag? Die zal op de werkvloer moeten worden beantwoord.