Bedreiging ziekenbroeders

Een omstander bedreigt ambulancepersoneel. Het gerechtshof legt een hogere straf op, hoewel het Openbaar Ministerie daar niet om vroeg.

De Zaak. Twee ambulancemedewerkers doen aangifte wegens bedreiging met geweld. De rechtbank legt een taakstraf op van 60 uur, of 30 dagen cel als de taakstraf niet wordt uitgevoerd, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met twee jaar proeftijd plus schadevergoeding. De verdachte gaat in hoger beroep. Hij vindt dat niet bewezen is wat hij precies zou hebben geroepen. Het Openbaar Ministerie eist dezelfde (taak)straf.

De feiten. De verdachte, een man van 34 jaar, was betrokken bij een ruzie op straat. Daarbij viel een ernstig gewonde. De ambulanceverpleegkundigen komen in een hectische situatie, die ze als grimmig en later als bedreigend beschrijven. Er waren ongeveer tien omstanders die bedreigingen riepen. Ze besluiten de gewonde niet op straat te helpen, maar schuiven hem in de auto en rijden met nog geopende zijdeur ‘versneld’ weg. De omstanders schoppen en slaan tegen de ambulance. Later, in de aankomsthal van de Eerste Hulp, herkennen zij een van de omstanders die zich agressief gedroeg. Deze man wordt aangehouden.

Wat is er zoal naar de ambulancemedewerkers geroepen? „Als je nu godverdomme niets doet, dan doe ik jou wat.” „Je moet hem helpen anders doe ik je wat.” „Als het maar goed komt. Opschieten... anders doe ik jullie iets.”

Wat acht het gerechtshof bewezen? Het hof beschouwt de man als iemand die zich „niet onbetuigd heeft gelaten”. En zich ook niet „heeft gedistantieerd van de geuite bedreigingen”. Het hof vindt dat er „nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders” was, de definitie van ‘medeplegen’.

Wat verklaart de verdachte op het bureau? Hij zegt dat hij emotioneel was; de gewonde was zijn vader. „Als personeel van de ambulance verklaart dat ik iets tegen hen gezegd zou hebben of dat anderen bij mijn vader iets gezegd hebben, dan is dat de waarheid. [...] De mensen van de ambulance hebben geen reden om te liegen. [...] Ik kan mij best voorstellen dat ik gezegd zou hebben: ‘Als het maar goed komt, anders doe ik jullie iets aan.’ Nu ik van u alles gehoord heb, kan ik begrijpen dat door het gedrag van mij en van omstanders het ambulancepersoneel zich bedreigd heeft gevoeld. Als ik nu naar mijzelf kijk, heb ik iets gedaan wat niet kan.”

Waarom geeft het hof een hogere straf dan de rechtbank? Het hof vindt dat de man zich „buitengewoon ernstig misdragen” heeft. Hij was bovendien dronken, net als anderen. Hij heeft de verplegers „ernstig belemmerd” terwijl die een levensgevaarlijk gewond slachtoffer hielpen. Dat het om zijn vader ging, „kan en mag geen enkele rechtvaardiging vormen”. Op de zitting in hoger beroep heeft de man „geen inzicht getoond in het uiterst laakbare karakter van zijn gedrag”. Dus vindt het hof drie weken onvoorwaardelijke celstraf „passend en geboden”. Dat de man een vaste baan heeft, legt geen gewicht in de schaal. „Het feit is daarvoor te ernstig.”