Wat schaffen we dan af qua ontwikkelingshulp?

In het debat over zin en onzin van ontwikkelingshulp valt steeds weer op dat alle soorten hulp op één hoop worden gegooid. Zo ook in het artikel van Marcia Luyten, Ontwikkelingshulp sluit vaak de ogen voor de ongemakkelijke waarheden van Afrika (Opinie & Debat, 28 november). Via regeringen, via VN, via hulporganisaties: alles wordt geschaard onder de ‘hulpindustrie’. Ook wordt voor het gemak Afrika dikwijls als één geheel gezien. Naar mijn mening onterecht. Nuance is wellicht saai maar mag volgens mij niet ontbreken voor zuivere discussie. Een interessante beschrijving die Marcia Luyten voor Oeganda geeft, kun je voor elk land geven, maar dan steeds anders. Hulp die in het ene land wel werkt, werkt daarom elders niet. Hulp via particuliere hulporganisaties verloopt bovendien beduidend anders dan die tussen regeringen of via VN-organisaties. Het afschaffen of halveren van dé hulp, zoals mensen als Wilders of Boekestijn maar ook de populaire Dambisa Moyo verkondigen, is dan ook een gratuite opvatting. Welke helft wordt dan afgeschaft? Wat voor soort hulp is wel en niet aanvaardbaar? Op basis van welke cijfers en aannames? De tegenstanders van ontwikkelingshulp komen dan wel met op sommige punten gefundeerde kritiek op de hulpindustrie, hun ‘one size fits all’-oplossingen getuigen van simplisme en doen geen recht aan de goede ervaringen die worden opgedaan met projecten en methoden die wél werken. Natuurlijk moet men, zoals Marcia Luyten betoogt, meer rekening houden met sociale en culturele verschillen en obstakels en moeten ook de hulporganisaties en westerse regeringen eerlijk zijn over de onbedoelde, mogelijk negatieve, gevolgen. Maar laten we het kind niet met het badwater weggooien, wat het gevolg zal zijn van de aanpak van Moyo en haar medestanders. Laten we om te beginnen niet alle ontwikkelingshulp over één kam scheren en discussie over de toekomst van ontwikkelingshulp meer voeren op basis van feiten en argumenten.

Guido Hulshoff

Amsterdam