Ouderen eisen invloed op hun pensioenen op

Minister Donner begeeft zich in een krachtenspel dat door de vergrijzing steeds complexer wordt. Centrale vraag is wie straks de pensioenmiljarden beheert.

Wat minister Donner (Sociale Zaken, CDA) níét wil, is duidelijk. Het kabinet plaatst „grote kanttekeningen” bij het initiatiefwetsontwerp van de Kamerleden Blok (VVD) en Koser Kaya (D66). Volgens dat ontwerp worden gepensioneerden toegelaten tot de besturen van de pensioenfondsen die voor complete bedrijfstakken werken. Dat zijn grote fondsen, die samen tweederde van de 600 miljard euro pensioengeld beheren.

Maar wat wil Donner dan wel met het bestuur en de (mede)zeggenschap van gepensioneerden en werknemers over de pensioenmiljarden? Hij rept in een brief aan de Tweede Kamer over „denkrichtingen”, over aspecten die „niet primair tot één model” leiden, maar tot „verschillende modellen”, die „besproken worden met betrokken partijen”, waarvan „de structuur” in wetgeving terechtkomt. Maar er zijn ook „gedragsregels” die in een code kunnen worden vastgelegd „die door de sector zou kunnen worden ingevuld”.

Evenals zijn voorgangers zoekt Donner naar een oplossing voor het steeds complexere krachten- en belangenspel over de financiering van pensioenen in een vergrijzende samenleving. Vergeleken hiermee is de stapsgewijze verhoging van de AOW van 65 naar 67 jaar politiek gezien een eitje.

Het bestuur van de pensioenmiljarden is het domein van werkgevers en vakbonden. Voor hen is pensioen een arbeidsvoorwaarde, een CAO-inzet en een kostenpost. De pensioenen kostten vorig jaar zo’n 25 miljard euro. De werkgever betaalt gemiddeld tweederde, de werknemers eenderde. Zij passen samen op de pensioenwinkel.

Maar de ouderen rukken op. Bij 80 procent van de pensioenfondsen die voor individuele ondernemingen werken, hebben gepensioneerden inmiddels een plaats in het bestuur veroverd. Voor ouderen is pensioen wezenlijks anders dan voor CAO-onderhandelaars. Het is hun inkomen bovenop de AOW. In de pensioenfondsen voor de bedrijfstakken zitten gepensioneerden niet in de besturen, maar samen met werkgevers en werknemers in adviesraden. Maar de tendens is helder: ouderen willen meebeslissen over hun inkomen.

Door de pensioencrisis hebben de gepensioneerden op het eerste gezicht de wind in de zeilen. De financiële positie van de fondsen bereikte in februari een historisch dieptepunt door beleggingsverliezen van meer dan 100 miljard euro. Pensioenen werden bevroren, premies verhoogd. In „ten minste een aantal gevallen”, schrijft Donner, hebben pensioenfondsen „gekozen voor het aangaan van grote risico’s, terwijl daarover naar de deelnemers niet adequaat is gecommuniceerd.” Dat klinkt als wanbeleid. Voorzover bekend zijn bij geen enkel groot fonds de bestuurders massaal afgetreden.

De minister zoekt de oplossing niet in een grotere rol voor ouderen in het bestuur. Hij betitelt gepensioneerden als „een derde partij met afwijkende belangen”. De tegenstelling tussen pensioen als kostenpost (werkgevers en vakbonden) en als inkomensbron (gepensioneerden) leidt „tot tot een ingewikkelder besluitvormingsproces”. Waarom lukt het bij ondernemingspensioenfondsen wel, maar kan het kennelijk bij bedrijfstakfondsen niet?

De ouderen staan tegenover de onderhandelingsmacht en de ‘chantage’ van werkgevers en vakbonden. Toen de ouderenorganisaties hun steun betuigden aan het wetsontwerp van VVD en D66 staakten de werkgevers en vakbonden het overleg met de ouderen over medezeggenschap.

Boven tafel hangt de angst dat werkgevers hun rol in de pensioenwereld reduceren tot die van betalers van een vaste pensioenpremie. De risico’s van beleggingen en inflatie komen dan bij werknemers en gepensioneerden te liggen. Donner: „Daarmee zouden de belangen van alle partijen op termijn worden geschaad.”

Nu beperkt Donner zich voorlopig tot wat opruimwerk en afwachten. Het opruimwerk is het stroomlijnen van de overdaad aan advies- en verantwoordingsraden die in de Pensioenwet van 2007 staan. Wat in de aanloop naar die wet al op papier duidelijk was, is nu ook in de praktijk bewezen: het werkt niet, er is te veel overlap en er zijn te weinig bekwame mensen om al deze raden te vullen.

In plaats daarvan wil Donner beter intern toezicht. Nu is visitatie eenmaal per drie jaar de norm, maar dat is nogal vrijblijvend. Verder wacht Donner op rapporten over het pensioenstelsel en over het beleggingsbeleid. De voor de pensioenwereld meest gedurfde suggestie van de minister is dat de pensioenen te belangrijk zijn om aan werkgevers, vakbonden en ouderen over te laten. „Ook de optie van een volledig professioneel bestuur zal worden overwogen.”

Dat was tot nu toe vloeken in de kerk. Het zou niet verbazen als een van de onderzoekscommissies dit idee verder invult.