Met dank aan het visioen van de hel

Waar sta je als schrijver die ellende observeert in een wereld vol weldoeners?

Ben je zelf een misbruiker als je leed nodig hebt om tot een verhaal te komen?

Paul Theroux is een opdringerige, arrogante man, meent reisschrijver Jerry Delfont, hoofdpersoon in Theroux’ laatste roman Een dode hand. Een schrijver die zijn personage in een roman ontmoet en vervolgens een verbale catfight voert: het is een bekend trucje. Er zijn wel meer schrijvers die overhoop liggen met hun personages, en meer schrijvers die zichzelf via hun personages laten bespotten. Maar in deze roman is die confrontatie mooi, omdat beiden de positie van de reisschrijver bespreken. ‘Ik vermoedde dat veel van wat hij [Theroux] opschreef verzonnen was, omdat hij zijn schrijversloopbaan was begonnen als romancier. En ik kende de verleiding om citaten te verbeteren of toevallige ontmoetingen en verafgelegen landschappen te dramatiseren, om mensen en plekken exotischer te maken. Maar hij was te expliciet om overtuigend te zijn.’

Ze zeggen ongetwijfeld vooral iets van Delfont, die last heeft van ‘een dode hand’. Volstrekt inspiratieloos zit hij in het Indiase Calcutta, totdat hij Mrs. Unger, een Amerikaanse weldoenster, ontmoet. Zij is bewonderaar van zijn werk, zorgt belangeloos voor Indiase weeskinderen, wil een moord in een hotelkamer onderzocht hebben en voorziet Delfont van tantrische massages en langdurige seks. Ondertussen klagen de twee veel over zich in India afspelende boeken (‘Er bestaat niet één waarheidsgetrouw boek over India. […] Een waarheidsgetrouw boek over India zou ondraaglijk zijn’); over moeder Teresa: (‘wat ik niet kan negeren is haar afgrijselijke aanstellerij en haar behoefte om opgemerkt te worden’) en over Liz Taylor, die haar roem niet inzet om het leed van minder bedeelden te verzachten, ‘maar om zichzelf te promoten. Dat gebeurt met actrices die geen filmrol meer kunnen krijgen’.

Het zijn gedachten die Theroux vaker ter sprake bracht in zijn zoektocht naar de relatie tussen beschrijvingen van leed of Verweggistan, terwijl je zelf op veilige afstand bent. Maar deze keer gaat het hem vooral om de vraag waar je de inspiratie in een andere wereld vindt en vooral: wat je ermee doet? Wat is de positie van de schrijver te midden van leed?

Theroux onderneemt die zoektocht in Een dode hand aan de hand van het vrij platte liefdesverhaal tussen Mrs.Unger en Delfont, waarin laatstgenoemde zijn schrijversinspiratie terugvindt wanneer hij een dorp vol kinderprostitutie bezoekt. Het visioen van de hel dat hij daar ziet, biedt genoeg stof voor het einde van zijn writer’s block. Dat definitief overwonnen is wanneer blijkt dat Mrs. Unger geen kinderen redt, maar ze voor kinderarbeid gebruikt. Mrs. Unger is niet de goedheid, maar de hypocrisie in levenden lijve.

Een dode hand lijkt op een standaardverhaal over het volle, stoffige India met mooie landschappen waarin de waarheid (die volgens Delfont en Mrs. Unger niet beschreven kon worden), traag wordt ontbloot. Kinderarbeid, kinderprostitutie, corruptie, hypocrisie: het zijn de thema’s die steeds meer hun opwachting maken in romans over India. Zo ook bij Delfont: wanneer hij bij het Amerikaans consulaat aangeeft waarmee Mrs. Unger bezig is, heeft hij zijn definitieve verhaal – te weten dit boek. Maar Theroux zou Theroux niet zijn wanneer het hem alleen daarom te doen was: alle exotische standaardbeschrijvingen tonen het dilemma van de schrijver: je kan misstanden en hypocrisie in andere landen aan de kaak stellen, je vraagtekens plaatsen bij mensen die ze ‘op zijn Taylors’ mis- of gebruiken, maar ze zijn nodig om tot een verhaal te komen, of om in dit geval je eigen schrijverschap te laten floreren. Een wrange conclusie van een knappe, nietsontziende roman.

Paul Theroux: Een dode hand Vertaald door Tineke Funhoff. Atlas, 256 blz. € 19,90

    • Toef Jaeger