In Kopenhagen gaat het vooral om geld

In Kopenhagen gaat de klimaatconferentie van start. Wie draait op voor de kosten van een beter klimaat? Eerlijk delen zorgt voor een onmogelijke som.

A combination picture shows different globes as a part of an installation in downtown Copenhagen December 6, 2009. Copenhagen is the host city for the United Nations Climate Change Conference 2009, which lasts from December 7 until December 18. REUTERS/Pawel Kopczynski (DENMARK ENVIRONMENT) REUTERS

Op de klimaatconferentie die vandaag in Kopenhagen begint, staan politici voor een van de ingewikkeldste diplomatieke puzzels ooit vertoond. Toch hoeft het niet zo moeilijk te zijn. De wetenschap heeft gezegd wat er moet gebeuren om een opwarming van de aarde met meer dan twee graden te voorkomen. In Kopenhagen hoeven de bijna 200 deelnemende landen de lasten alleen nog eerlijk te verdelen. In theorie is ook dat eenvoudig. Deel de broeikasgassen die de atmosfeer aankan door het aantal mensen op aarde en je weet hoeveel de uitstoot per persoon kan zijn.

Maar dan beginnen de problemen. Want die uitstoot is in rijke landen veel hoger dan in arme landen. Een gemiddelde Afrikaan produceert per jaar nog geen twee ton kooldioxide, een Australiër houdt zijn welvaart in stand met bijna 27 ton, een Nederlander zit daar ergens tussenin.

Het is dan ook uitgesloten dat de rijke landen akkoord gaan met een min of meer gelijke verdeling van de CO2-uitstoot over de wereldbevolking. Al jaren wordt onderhandeld over de vraag wat dan wel rechtvaardig is. Simpel vertaald: wie draait op voor de kosten?

Het gaat in Kopenhagen niet over eventuele rampen die de wereld te wachten staan als het warmer wordt. En zelfs nauwelijks over vermindering van broeikasgassen om die rampen te voorkomen – daarover bestaat niet veel verschil van inzicht. Het gaat in de eerst plaats over geld en de verdeling van welvaart. Niet eerder deden bijna alle landen van de wereld mee aan zo’n grootschalige operatie om geld uit geïndustrialiseerde landen door te sluizen naar ontwikkelingslanden. „Armoede en klimaatverandering zijn de twee grote uitdagingen van de 21ste eeuw”, zei de Britse klimaateconoom Nicholas Stern vorige week in The Guardian. „En omdat ze met elkaar verbonden zijn, zullen we falen bij het ene onderwerp als we falen bij het andere.”

Vervolg Kopenhagen: pagina 4

Schone energie is luxe van rijke landen

Want de geïndustrialiseerde landen hebben met hun ongebreidelde groei sinds de negentiende eeuw de problemen veroorzaakt. Ontwikkelingslanden eisen het recht op dezelfde welvaart, of op zijn minst op een einde aan de armoede. Schone energie is wat dat betreft een luxe van rijke landen. De arme landen willen vooral goedkope energie. Als dat niet kan, dan moeten de rijke landen daarvoor betalen. Niet alleen in de vorm van technologie om schoon te produceren, maar ook voor het behoud van bossen, het bestrijden van droogte, wateroverlast, tekort aan drinkwater, een stijgende zeespiegel.

Europa schat de kosten van klimaatbeleid in ontwikkelingslanden op zo’n 100 miljard euro per jaar vanaf 2020. De ontwikkelingslanden denken jaarlijks zeker 400 miljard dollar (240 miljard euro) nodig te hebben. De rijke landen hebben tot nu toe niet gezegd hoe hoog hun bijdrage zal zijn. Zelfs Europa niet, dat in het verleden vaak de portemonnee trok als onderhandelingen lastig werden.

Eerdere toezeggingen worden bovendien vaak niet waargemaakt. Uit recente cijfers van de Heinrich Böll Stiftung blijkt bijvoorbeeld dat van de beloofde ruim vier miljard dollar voor een fonds voor schone technologie nog geen cent is binnengekomen. Het strategische klimaatfonds van de Wereldbank, waarin landen 1,6 miljard dollar zouden storten, is nog steeds leeg. Individuele beloftes worden evenmin nagekomen. Van de 10 miljard dollar klimaathulp die Japan nu al gestort zou moeten hebben, is nog niets betaald. Veel rijke landen betalen hun klimaatprogramma’s tot nu toe voor een deel uit reguliere ontwikkelingshulp.

Logisch dus, dat de arme landen meer zeggenschap willen hebben over de distributie van het geld. De rijke landen zien het liefst dat de Wereldbank en het IMF de verdeling voor hun rekening nemen – dat zou, zeggen zij, een hoop bureaucratie schelen. Maar de arme landen hebben geen vertrouwen in die door het Westen gedomineerde instellingen. Zij willen dat het geld wordt ondergebracht in een apart fonds bij de Verenigde Naties, waarover zij veel meer te zeggen hebben.

De arme landen hebben weinig middelen om hun zin te krijgen, behalve de zekerheid dat zonder hun bijdrage de klimaatconferentie zal mislukken. „Als alleen wij als geïndustrialiseerde landen de CO2-uitstoot terugdringen, weten we dat het twee graden doel niet langer bereikbaar is en dus ligt de verantwoordelijkheid bij opkomende economieën”, zei de Duitse bondskanselier Angela Merkel daarom deze week in Brazilië.

Ontwikkelingslanden hebben de onderhandelingstekst die nu in Kopenhagen circuleert al afgewezen. Ze voelen er niets voor om vast te leggen dat de CO2-uitstoot in 2050 gehalveerd moet zijn (ten opzichte van 1990) – ook al is dat nog steeds aanzienlijk minder dan wetenschappers nodig achten. Ook de twee graden grens wijzen ze voorlopig af. Eerst moeten de rijke landen veel meer doen, is hun boodschap. Ons nu vastleggen op een halvering betekent volgens de Zuid-Afrikaanse klimaatonderhandelaar Alf Wills „dat de resterende reducties door ontwikkelingslanden moeten worden gedaan”. En aan die verantwoordelijk zijn ze nog lang niet toe.