Hij verhaalde enkreeg oorvijg toe

Abdelkader Benali ging op zoek naar de mooiste kinderverhalen.

Een buil kon hij zich niet vallen aan deze verzameling. Maar zijn er ook verrassingen?

Waar zou het Nederlandse kinderverhaal ooit mee begonnen zijn? Zou er ook voor de jeugd een hebban olla vogala zijn geweest, met een Vlaamse kopiist die heimwee had en in de marge van zijn overschrijfsels maar eens begon met het neerkrabbelen van een begin van een eigen kinderverhaaltje? Waarom niet? Zou er, ten tijde van Reinaert de Vos, niet ook een versie voor de jeugd hebben gecirculeerd, ergens – een soort Fabeltjeskrant avant la lettre? Zou er niet een middeleeuwse voorloper van Thea Beckmans Kruistocht in spijkerbroek zijn geweest?

Ik hoopte er wel op toen ik las dat Abdelkader Benali enige tijd in de Koninklijke Bibliotheek was opgesloten en zich door een Bibelebontse berg van kinderboeken heen had moeten vreten, op zoek naar de beste Nederlandse kinderverhalen. Hij was eruit gekomen met een dikke bloemlezing, de verhaalpendant van De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten van Gerrit Komrij uit 2007.

Het antwoord op mijn vraag naar hebban olla vogala voor de jeugd was snel gevonden: er zijn helemaal geen kinderverhalen in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. In de Middeleeuwen niet, in de Gouden Eeuw niet, in de 18de eeuw niet. Voor de kinderverzen hadden we toen tenminste nog Hieronijmus van Alphen (1746-1803), maar voor de kinderverhalen moeten we wachten tot 1801-1802, als bij uitgeverij Van Vliet het Magazijn van spreekwoorden en zedenspreuken, opgehelderd door voorbeelden en vertellingen tot een leesboek voor de jeugd, verschijnt. Een van de anonieme bijdragen daaruit mag deze geschiedenis van het Nederlandse kinderverhaal openen. Het is een kort en stichtelijk vertellinkje, over de vervelende pestkop Hendrik Vonk. Hij valt telkens andere kinderen lastig. Maar op een dag wordt hij zelf het slachtoffer, wanneer hij wordt opgewacht door jongens die hij ooit pestte.

De stijl van deze anonieme kinderverhalenauteur is ouderwets stijf. ‘Ieder hunner had bezwaren tegen hem in te brengen, en elk meende zich thans te moeten wreken.’ En zo geschiedt. Bij thuiskomst hoeft hij niet op veel begrip van zijn ouders te rekenen. ‘Hij verhaalde zijn ongeluk, en kreeg echter nog een paar oorvijgen toe, met de vermaning om in het vervolg andere kinderen ongemoeid te laten.’ Het begin van de kinderverhaalgeschiedenis is al net zo braaf en ouwelijk als het begin van de kindergedichtengeschiedenis (met de versjes van Van Alphen). Die vroege verhalen gaan over kinderen, of dieren – en ze zijn van het brave soort. Zouden kinderen van nu ze graag lezen? Vader leert zoon Jacob de voorzichtige omgang met schietgeweren: ‘Wanneer nu kinderen spelen met een pistool of snaphaan, dan weten zij gemeenlijk niet of dezelve zijn geladen of niet; en daarom kunnen zij dan anderen, of hunzelf, zeer licht zulk een ongeluk toebrengen.’ Het zijn in ieder geval leerzame zinnen. De schrijver ervan? Willem Emery de Perponcher Sedlintzky Heer van Wolfaartsdijk (1741-1819). Alleen al om die naam had hij de eer moeten krijgen deze bloemlezing te openen.

De eerste bekende naam in ‘De Dikke Benali’ is die van Theo Thijssen (1879-1943). Hij is opgenomen met een kort en geestig stukje over het verschijnsel dat kinderen in zijn klas graag clubs oprichtten. Daarna volgt een verhaal van An Rutgers van der Loeff (1910-1990) en van Annie M.G. Schmidt (1911-1995) – en dan zitten we al na WO II. De eerste verrassing van dit boek: vóór 1800 is er niks. De tweede verrassing: tussen 1800 en 1945 is er eigenlijk ook niks. Het grootste deel van de Nederlandse kinderverhalenliteratuur is op dit moment dus nog maar zestig, hooguit vijfenzestig jaar oud. Bijna alles is recent, gemaakt door schrijvers die nog in leven zijn, van Marga Minco (1920) tot en met Bart Moeyaert (1964).

We hebben nu ook al terloops de derde verrassing van dit boek genoemd. Al meteen bij het begin van het genre bevindt zich een hoge top: Annie M.G. Schmidt. Zij is opgenomen met drie goede verhalen. Ze is de enige vrouw die met het maximum van drie of vier verhalen is opgenomen. De mannen zijn: Paul Biegel, Hans Andreus, Gerard Brands, Peter van Gestel, Toon Tellegen, Guus Kuijer, Jacques Vriens en Paul van Loon. Van dit rijtje lijkt mij alleen de naam van Brands verrassend. Ook onder de andere bijdragen zitten niet veel verrassingen. Thea Beckman, Tonke Dragt, Imme Dros, Joke van Leeuwen staan er ook in, net als Miep Diekmann, Mies Bouhuys, Els Pelgrom, Carry Slee en Francine Oomen.

Inhoudelijk zijn er dus ook geen al te grote verrassingen. Alle genres zijn wel vertegenwoordigd. We vinden hier oergezellige kinderverhaaltjes met dieren die kunnen praten en in een huisje in een bos wonen en daar brandt dan een lekker warm kacheltje. Er zijn sowieso veel dierenverhalen. En dan zijn er de historische verhalen, waarin we wegdromen naar een andere tijd. En sprookjesachtige fantasieverhalen. En enge vampierverhalen. Er zijn jarenzeventigverhalen, over discriminatie, scheiding en werkloosheid. Er zijn binnenwereldverhalen, over de gedachten van gevoelige kinderen met al hun angst en schaamte en eenzaamheid. Er zijn verhalen over het typisch moderne probleem van een lange zomervakantie in het buitenland, en over het leven op school, en over al het gedoe eromheen met de eerste verliefdheid en de eerste kus. Veel van die verhalen lijken wel afleveringen van een pubersoap: voor de doelgroep vast spannend, maar voor anderen inwisselbaar. Vlot geschreven, maar stilistisch en inhoudelijk niet interessant.

Benali kan zich aan deze bloemlezing geen buil vallen. Hij zal er niet de geschiedenis mee ingaan als de blikverruimende bloemlezer met de frisse visie. Opvallend is wel zijn keuze voor enkele verhalen van schrijvers voor volwassenen (Armando, Campert, Polet, Brusselmans), maar die zijn zeker niet beter dan die van hun jeugdboekencollegae. En opvallend is ook zijn voorkeur voor migrantenschrijvers, zoals Halil Gür, Marion Bloem en Snezana Bukal. De moeilijkheden van buitenlanders lijken op die van kinderen: vervreemding, taalproblemen, het gevoel er niet helemaal bij te horen.

Een oordeel over dit boek valt intussen moeilijk te geven. Daarvoor is het te veel van alles wat, voor te veel verschillende leeftijden.

Abdelkader Benali (samenst.): De Nederlandse kinderliteratuur in 100 en enige verhalen. Prometheus, 960 blz. € 19,95