Hij heeft Dieuwertje gepopt

Vlamingen poepen bij voorkeur niet op het toilet, lazen we vorige week in deze krant. Hoe zit dat?

Afgelopen zaterdag stond in deze krant een zin die toelichting behoeft. Het gaat om de slotzin van een nieuwsbericht over een nieuw woordenboek van Het Spectrum. In dat woordenboek wordt een onderscheid gemaakt tussen het Nederlands zoals dat wordt gesproken en geschreven in Nederland en in Vlaanderen. Van de in totaal 70.000 trefwoorden in dit boek, zo meldde het bericht, zijn volgens de samenstellers zo’n 4.500 woorden alleen in Nederland bekend. Voor België zijn dat er circa 3.500.

„Vlaamse uitdrukkingen”, zo besloot het bericht, „waarvan Nederlanders nooit hebben gehoord, zijn bibbergeld (‘gevarengeld’) en reismicrobe (‘reislust’). Nog wat voorbeelden: Belgen schillen geen appeltje met iemand, maar pellen een eitje, ze klappen niet uit de school, maar uit de biecht. En poepen doen ze bij voorkeur niet op het toilet.” Ik weet zeker dat niet iedereen die laatste zin heeft begrepen. Sterker nog, ik heb dit onderzocht. Ik heb deze kwestie zondagochtend, langs het voetbalveld, voorgelegd aan enkele ouders.

„Het is misschien een merkwaardige vraag, zeker zo vroeg op de ochtend, maar weet jij wat de zin ‘Vlamingen poepen bij voorkeur niet op het toilet’ betekent?”

Het was een kleine steekproef, aan onze kant stonden slechts zeven ouders, maar ik vond het overdreven en ook een beetje ongepast om de vraag tevens voor te leggen aan de ouders van de tegenpartij.

Eén vrouw antwoordde: „Ik weet dat poep in België wordt gebruikt voor ‘kont, achterste’. Je kunt daar op je poep zitten.” Verder werd er het nodige gegist, maar niemand wist het antwoord.

Dat nieuwe woordenboek, zoveel zal duidelijk zijn, voorziet in een behoefte, want bij poepen lezen we, als derde betekenis: ‘Belgisch-Nederlands, plat, geslachtsgemeenschap hebben, naaien, neuken.’

Belgen voltrekken de geslachtsgemeenschap dus bij voorkeur niet op het toilet en op dat punt lijken ze, zo veronderstel ik, meer op Nederlanders dan onze taalverschillen doen vermoeden.

Blijft de vraag waarom poepen in Nederland en België zo’n andere betekenis heeft. Dat komt doordat het om twee verschillende woorden gaat, met een andere geschiedenis. Poepen in de betekenis ‘zijn behoefte doen’ is pas in 1864 voor het eerst opgetekend, in de eerste editie van wat nu de Grote Van Dale wordt genoemd. De oorspronkelijke betekenis, die al in 1599 in een woordenboek is vastgelegd, is ‘gassen door de aarsopening loozen; veesten, winden laten’, zoals het Woordenboek der Nederlandsche Taal het omschrijft. Volgens onze taalkundigen is dit woord klanknabootsend gevormd.

Het poepen dat Belgen bij voorkeur niet op het toilet doen, is aan het begin van de 17de eeuw voor het eerst genoteerd, in de vorm poppen („hij heeft Dieuwertje gepopt ofte geboeleert”). Het werd gebruikt voor ‘koesteren, strelen, geslachtsgemeenschap hebben, overspel plegen’ en gaat terug op poppen in de betekenis ‘met poppen spelen’. Dat het uiteindelijk, aan het begin van de 20ste eeuw, de vorm poepen kreeg, komt waarschijnlijk omdat men het associeerde met poep voor ‘achterste’, zeggen onze nieuwste etymologische woordenboeken. Hoe je dit laatste precies cultuurhistorisch moet duiden, weet ik niet, maar eventuele onduidelijkheden in die slotzin van vorige week zijn met dit alles hopelijk opgehelderd.

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek