Een beetje oorlog voeren

Den Haag zegt niet waarom we echt in Afghanistan zijn.

We vechten er voor Obama’s herverkiezing en voor een plaatsje bij de G20.

Het Nederlandse Afghanistanbeleid, zei Kamerlid Haverkamp (CDA) afgelopen dinsdag, moet zowel recht doen aan de gevoelens in de samenleving hier als aan het daar verrichte opbouwwerk.

Maar dat is onmogelijk. De gevoelens hier zijn duidelijk: we moeten weg, want dit is een uitzichtloos moeras. Maar het daar verrichte opbouwwerk vereist volgens de betrokkenen het tegendeel: blijven, juist omdat het een uitzichtloos moeras is. Nu vertrekken betekent dat het allemaal voor niets is geweest.

Het is al vaker gezegd: de strijd met de Talibaan is ongelijk – wij hebben de horloges en zij hebben de tijd. Om die reden kunnen wij de veldslagen winnen en zullen we toch de oorlog verliezen. Dat kan alleen anders worden als wij ook de tijd nemen. Dat betekent dat men niet voortdurend moet aankondigen dat men morgen weer vertrekt. Dan zal de vijand geduldig wachten.

Het is het één of het ander: ofwel de Nederlandse regering besluit om zonder mankeren een halve eeuw te blijven, verveelvoudigt het huidige aantal soldaten, vergroot hun sneuvelbereidheid en vertelt dat de kiezer. Dan is er heel misschien een kans op uiteindelijk succes. Ofwel men ziet de hopeloosheid ervan in en vertrekt nu, en de boel stort vervolgens ineen, in plaats van pas over een jaar. Maar een beetje oorlog voeren gaat niet.

Daar ligt de essentie van het Haagse probleem, en dat illustreert de ongeschiktheid van dit land voor de wereldpolitiek. Want dat is het verzwegen derde punt dat speelt, naast de gevoelens hier en het opbouwwerk daar: de gevoelens in Amerika, en de gevolgen daarvan voor ons, na Nederlandse desertie. Want als ‘Afghanistan’ zonder een langdurig commitment zinloos is – en onze doden bij direct vertrek meteen zinloos geweest zullen zijn – waarom blijven we dan straks halfslachtig, als dat even zinloos is? Om redenen die niets met Afghanistan als zodanig en alle nobele intenties omtrent schooltjes en ziekenhuizen van doen hebben. Het gaat om de geloofwaardigheid van de NAVO, om het behoud van Obama als president en om de internationale positie van Nederland.

Jaap de Hoop Scheffer is zo dwaas geweest om ‘Afghanistan’ tot een lakmoesproef voor het bondgenootschap op te blazen, want dan wordt zoiets dat ook. Obama heeft de presidentsverkiezingen onder meer gewonnen met de belofte: ik win Europa terug. Maar vervolgens laat Europa het afweten, bij Guantánamo Bay en in Afghanistan, onder het motto: door uzelf veroorzaakt, dus uw probleem.

Goed, in beide gevallen heeft Europa inhoudelijk gelijk. Maar dat Nederland het op beide punten laat afweten, betekent wel dat Amerika constateert dat Balkenende Bush indertijd blind heeft gesteund, maar Obama steeds afvalt. Dat heeft een onbedoeld politiek gevolg: het geeft de Republikeinen in 2012 munitie. Zij zullen bij een mislukte oorlog in Afghanistan immers zeggen dat daarmee Obama mislukt is. Als wij Obama’s herverkiezing, die ook in ons belang is, niet op het spel willen zetten, moeten wij blijven. Want met Obama is het gedaan, als hij deze oorlog verliest nadat de Europeanen zijn vertrokken.

Dan ten slotte Nederland: dat wij bij de G20 mogen aanschuiven – wat in verband met onze buitenproportioneel grote banken in ons belang is – hangt eveneens samen met ons zinloze meedoen in Amerikaanse oorlogshaarden. Zijn wij weg uit Afghanistan, dan zijn Balkenende en Bos straks ook bij het financiële wereldoverleg niet meer welkom.

Dit gegeven levert een cruciaal moreel dilemma op, dat Den Haag zichzelf niet openlijk durft voor te houden: dat de Nederlandse soldaat feitelijk niet voor het redden van Afghaanse vrouwen zijn leven riskeert, maar voor het redden van uw portemonnee.

Tot de vele kloven tussen politiek en burger behoort namelijk ook deze: dat Den Haag omwille van onze wereldwijde economische belangen politiek internationale ambities koestert, waaraan een dusdanig prijskaartje hangt dat dit de kiezer niet eerlijk verteld kan worden. Vandaar dat dingen van tevoren niet bij de naam worden genoemd. Zo voert Den Haag nooit oorlog – dat is iets voor enge grootmachten, niet voor moreel gidsland Nederland. Voeren wij wel oorlog, dan noemen wij dat humanitaire interventie of wederopbouwmissie. Een halve eeuw geleden bleek ‘politionele actie’ daarvoor een veelzeggende term: wij zagen de Indonesische Opstand – net als de Belgische van 1830 – niet als een zaak van politiek, maar van politie. Wij zijn dus niet in oorlog, wij handhaven slechts de orde. Wel, de orde handhaven: dat deed de hertog van Alva in 1568 ook.

Wij ontkennen de harde feiten, en rollen daarom steeds weer opnieuw achterwaarts in het moeras, om dan tot onze schrik te ontdekken dat we bijna verzuipen. Wie in 2006 de Nederlandse kiezer had verteld dat wij in Afghanistan vooral gaan vechten, had het bij de stembus afgelegd. Wie om die reden tegen de NAVO had gezegd: wij gaan zeker niet, had zich daarbinnen geïsoleerd. Die spagaat is door eufemismen toegedekt om de eigen positie voor het moment te redden.

Maar dat is uitstel van executie. Want zodra blijkt dat er daar in Afghanistan weinig opgebouwd en veel geschoten moet worden, wordt duidelijk op welk drijfzand die eufemismen zijn gebaseerd.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

    • Thomas von der Dunk