De schriftelijk uitgedrukte mens

We liepen te wandelen en zochten alle twee naar woorden, of misschien zelfs wel naar onderwerpen en op een gegeven moment bekende mijn vriend: „Ik schrijf eigenlijk het liefst met je.”

Ik was een beetje beledigd, men wil toch graag als hele persoon en ook als levende verschijning liefgehad worden, maar ik begreep wel wat hij bedoelde. Onze brieven waren lang en uitvoerig en er leek bijna te weinig tijd om alles op te schrijven wat we elkaar wilden zeggen. We lieten de binnenkant van ons hoofd zien en ook zeker wel gedeeltes van ons hart, we namen de tijd om uit te drukken wat we voelden en bedoelden en kenden elkaar daardoor op een manier die we, als het allemaal alleen van gesprekken had moeten afhangen, misschien nooit bereikt hadden.

De schriftelijk uitgedrukte mens is anders dan de levende persoon. In een brief kun je de tijd nemen om even over een formulering na te denken, je kunt soms woorden gebruiken die je gênant zou vinden om uit te spreken: te zwaar, te teder, te eigenaardig. Je gebruikt stijlmiddelen: harde overgangen, korte alinea’s, bizarre spelwijzen of ironisch bedoelde hoofdletters. Je maakt in zekere zin een voorstelling van jezelf, die zowel kunstmatiger als oprechter is dan je in een gesprek kunt zijn.

Een van de eigenaardigheden van een brief is bijvoorbeeld ook dat je niet onderbroken wordt door antwoorden of reacties, en dus vrij je eigen gedachtegangen kunt vervolgen.

Sommige mensen zijn enorm sympathiek per brief, veel sympathieker en gevoeliger dan je aan de echte, onhandige, verlegen en daardoor wat te ruwe persoon afziet. Of ze blijken veel grappiger dan je dacht, met veel meer oog voor detail.

En dat zijn alleen nog maar brieven, die je meestal uitwisselt met mensen die je al kent. Het verschil tussen wat je denkt bij wat je leest en wat je denkt bij wie je ziet kan dan toch al erg groot zijn.

In een roman krijg je dikwijls de intiemste gedachten en overwegingen opgediend van personages die je helemaal niet kent en als je met een beetje schrijver te maken hebt, maakt hij of zij nog heel wat meer gebruik van de mogelijkheden die het schrijven biedt. Het komt je dan ineens volkomen waarschijnlijk voor dat een vis in de sloot domme zinnetjes voor zich uitmompelt als ‘Pak ze in hun witte dondertjes’ of ‘Laten we allemaal maar lollig uit de hoek komen en jofel de pap induiken’. Als je dat eenmaal gelezen hebt (bij Anton Koolhaas natuurlijk), dan denk je aan zulke dingen als je een visje ziet, je verbeeldt je dat je weet hoe het is om zo’n eenvoudig visje te zijn. Of een snoek, een haas, een kalkoen. Ons vermogen om ons in te leven is onbeperkt, mits iemand zich schriftelijk meldt. Dan kunnen ook moordenaars of schlemielen ons voor hun gedachten en overwegingen interesseren.

Nu het boek van Kluun Komt een vrouw bij de dokter verfilmd is, zie je, en dat is wel interessant, recensenten en lezers zich afvragen: hoe kan het dat de hoofdpersoon, een man die obsessief vreemdgaat terwijl zijn vrouw een dodelijke kanker heeft, in het boek min of meer acceptabel is, vertederend soms zelfs. En waarom lijkt hij in de film een bijna onverteerbare hufter? Komt dat omdat mensen fantasieën accepteren die ze niet uitgebeeld willen zie? Is een boek abstracter? Kun je iets wél verdragen als je het leest, maar niet als je het ziet?

Het zijn interessante vragen. Ze vragen zeker ook naar de techniek van het schrijven of filmen. En ze leggen iets bloot over de manier waarop je in een personage verdwijnt als je leest – zelfs als je dat personage niet prettig vindt, onaangenaam zelfs.

Kan een roman – en dan is Kluun nog niet eens bepaald de beste schrijver – meer dan een film kan? Dat denk ik eigenlijk niet, ook een film kan je laten verdwijnen in een personage dat je niet sympathiek is. Beide genres kunnen je dwingen tot inleving op momenten dat je dat eigenlijk niet wilt. Of op momenten dat je dat zonder tussenkomst van een vormgegeven verbeelding niet zou kunnen.

Wie het personage Stijn uit Kluuns boek sympathiek ging vinden, is enerzijds in de opzichtige trucs van de schrijver getrapt (het personage krijgt van bijna iedereen in het boek gelijk en wordt geprezen om zijn toewijding aan zijn vrouw), en heeft anderzijds vergeten weer even afstand te nemen opdat het verhaal, zoals elk verhaal, een versie van de gebeurtenissen wordt en niet de enige en totale waarheid.

Dat is de kracht van verhalen, dat ze breeduit voor de waarheid kunnen gaan staan. Daarom vertellen we ze ook over en aan onszelf: zó is het gegaan. Dáárom moest het gebeuren zoals het is gebeurd.

Een geheime verhouding lijkt gerechtvaardigder als je leest hoeveel de hoofdpersoon van zijn vrouw houdt én van zijn minnares, en hoeveel die vrouwen ook van hem houden. Dan wordt het geheel een noodlotsdrama, waar je in het echt misschien zou zeggen: ‘Kies!’ of zelfs een krachtige veroordeling uit zou spreken. Als een boek overtuigender is dan de film, dan is het boek beter. Het is niet zo dat de film ons laat zien wat een rotzak deze man ‘eigenlijk’ is. Hij was, althans voor vele mensen, een overtuigend personage en is dat in de film niet. Jammer voor de film.

In een goede brief maken we een overtuigende witvis van onszelf. De lezer zoekt het maar uit.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos

    • Marjoleine de Vos