De 'butler' die zorgt dat de aarde niet te warm wordt

Yvo de Boer speelt als chef van het klimaatbureau van de Verenigde Naties een belangrijke rol op de klimaattop in Kopenhagen. „Hij zorgt dat hij linksom of rechtsom zijn zin krijgt.”

Toen Yvo de Boer in 2006 solliciteerde naar de functie van uitvoerend secretaris bij het klimaatbureau van de Verenigde Naties, was de kans klein dat hij die baan zou krijgen. Zijn voorganger Joke Waller-Hunter, die onverwacht was overleden, kwam ook uit Nederland. En het is bij de VN zeer ongebruikelijk om een hoge post twee keer aan hetzelfde land te geven. Eigenlijk was de beurt aan iemand uit een ontwikkelingsland. Omdat De Boer als beste kandidaat uit de bus kwam, werd een extra sollicitatieronde ingelast – met hetzelfde resultaat.

Het klimaatbureau ondersteunt de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), zoals de officiële naam luidt van het klimaatverdrag dat werd gesloten op de grote Earth Summit in Rio de Janeiro in 1992. Het bureau is een secretariaat dat gegevens verzamelt van deelnemende landen over de uitstoot van broeikasgassen, ervoor zorgt dat iedereen op tijd alle verdragsteksten ontvangt en vergaderingen en klimaatconferenties organiseert. Yvo de Boer (55) beschouwt zichzelf daarom ook wel als de ‘butler’. „Ik ben degene die de broodjes rondbrengt”, zegt hij bescheiden.

Een beetje vals is die bescheidenheid wel. Want al tijdens zijn sollicitatiegesprek bij de toenmalige secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, liet De Boer weten dat hij niets voelde voor de traditionele rol van het secretariaat, door hemzelf samengevat als: „Mond dichthouden en zorgen dat de dingen werken”. Als je zo iemand wilt, zei hij tegen Annan, dan moet je mij niet nemen. Het secretariaat dient volgens De Boer ook een hoger doel, waarover geen misverstand mag bestaan: voorkomen dat de aarde te veel opwarmt.

Zo werd De Boer in de eerste plaats de man die achter de schermen met alle partijen praat, die posities van de landen analyseert en zoekt naar manieren om uit impasses te komen die in de klimaatonderhandelingen voortdurend op de loer liggen. Daarnaast zoekt hij steeds de media op. Oud-klimaatonderhandelaar Bert Metz noemt zijn persconferenties en interviews „op – en soms ook net over – de rand van wat de landen accepteren”. De Boer kapittelt landen als ze onvoldoende vaart maken, deelt soms een complimentje uit als een partij een stapje in de goede richting zet en roept anderen op dat voorbeeld te volgen.

In deze rol is hij bij het publiek het meest bekend. Het heeft ertoe geleid dat de ‘butler’ tegenwoordig in de media meestal wordt aangeduid als ‘klimaatchef’ en zelfs door politici wel wordt gezien als voorzitter van de klimaatonderhandelingen.

Yvo de Boer is nu al ruim vijftien jaar betrokken bij het klimaatdebat – op nationaal, Europees en internationaal niveau. Niet meteen een carrière die je zou verwachten van een man die in Den Haag op de Sociale Academie de studierichting ‘reclassering’ heeft gevolgd. Uiteindelijk kwam hij door zijn talenkennis – dankzij het ambassadeursgezin waarin hij opgroeide – op de internationale afdeling van het ministerie van VROM terecht. Van daar was het een kleine stap naar de Verenigde Naties, afdeling Volkshuisvesting (Habitat) met als standplaatsen Nairobi en later Ottawa. In 1994 keerde hij terug naar VROM als ‘hoofd klimaatverandering’. Vijf jaar later werd hij directeur internationale milieuzaken. Hij fungeerde onder meer als steun en toeverlaat van milieuminister Jan Pronk (PvdA) tijdens de grote klimaatconferentie in Den Haag in 2000. Hij onderhandelde namens Nederland, en soms ook namens de Europese Unie over internationaal klimaatbeleid.

Milieuverdragen waren tot in de jaren negentig vooral een zaak van deskundigen; politici waren er nauwelijks in geïnteresseerd, vertelt Hugo von Meijenfeldt, de huidige klimaatgezant van de Nederlandse regering. „Dat ging ongeveer zo: de experts signaleerden een probleem en kwamen bij elkaar. Als ze gezamenlijk een oplossing hadden bedacht, werd meestal besloten dat er maar het beste een verdrag van gemaakt kon worden. Als ze klaar waren, gingen ze naar de minister en zeiden: wilt u dan en dan ruimte maken in uw agenda om het verdrag te ondertekenen. Er volgde een ondertekening, een fotosessie en een mooie plechtigheid en daarmee was de zaak geregeld.”

Dat is natuurlijk gechargeerd, erkent Von Meijenfeldt. En in ieder geval is daar met de klimaatonderhandelingen een einde aan gekomen. Dit is het eerste milieuonderwerp dat de politiek nadrukkelijk naar zich toe heeft getrokken. „Je kunt ook zeggen dat de onderhandelingen zijn geprofessionaliseerd”, aldus Von Meijenfeldt. Klimaat raakt te veel beleidsterreinen en er is te veel geld mee gemoeid om het helemaal aan experts over te laten.

Die overgang van politiek amateurisme naar professionaliteit heeft Yvo de Boer vanaf het begin meegemaakt en deels zelf vormgegeven. Toen hij bij VROM het Nederlandse klimaatbeleid op poten moest zetten, was een van zijn eerste taken de visies van de betrokken departementen op elkaar af te stemmen. Dat viel niet mee. Bij Economische Zaken werd bijvoorbeeld eerst nog volop getwijfeld aan het bestaan van klimaatverandering. En als het al bestond, vroeg men zich af of het niet veel te duur zou worden om er iets tegen te doen. Landbouw en Verkeer hadden heel andere belangen dan Ontwikkelingssamenwerking en Financiën, als het om het klimaat ging. En bij Buitenlandse Zaken leefde het onderwerp niet. De minister van Milieu was wel verantwoordelijk, maar bracht geen zak met geld mee naar de onderhandelingen.

De Boer ging die uiteenlopende visies te lijf met de implementation challenge, een theorie van Lawrence Susskind, die destijds erg in de mode was. Volgens Susskind moet je in onderhandelingsprocessen niet zozeer kijken naar de standpunten zelf, maar naar de achterliggende belangen. Die belangen, besefte De Boer, waren soms heel redelijk. Dus zocht hij naar compromissen waarin alle partijen serieus werden genomen.

Met die methode kreeg hij de verschillende ministeries op één lijn, en zorgde hij er later voor dat minister Pronk van de klimaatconferentie in Den Haag in 2000 – in het VN-jargon: de zesde Conference of the Parties (COP6) – een succes kon maken. In Den Haag moesten de ondertekenaars van het Kyoto-protocol (1997) het eens worden over de praktische uitwerking van dat verdrag. Toen dat dreigde te mislukken, werd de vergadering geschorst en een half jaar later in Bonn tamelijk onverwacht alsnog tot een goed einde gebracht. Ter voorbereiding van de conferentie reisde De Boer de hele wereld af om te achterhalen wat de landen wilden, en vooral waarom ze dat wilden. Het resulteerde in een living document waarin al die standpunten waren weergegeven en dat steeds weer veranderde toen het onderhandelingsproces vorderde.

Na COP6 had De Boer de smaak van het onderhandelen goed te pakken. Maar het onderwerp raakte een beetje in het slop, in Nederland en daarbuiten. Kyoto stond op de rails, iedereen leunde achterover. De Boer wilde meteen een begin maken met de onderhandelingen voor een vervolg op Kyoto. Het zijn die onderhandelingen die nu in Kopenhagen moeten worden afgerond.

De Boer reisde opnieuw de wereld af om landen te overtuigen van de noodzaak door te gaan. Hij deed dat veelal met staatssecretaris van Milieu Pieter van Geel (CDA). „Aanvankelijk kon De Boer alleen terecht bij de jongste bediende”, zegt Von Meijenfeldt. „Hij bleef natuurlijk een ambtenaar. Daarom ging Van Geel ook vaak met hem mee.”

Na een tijd gingen steeds meer deuren voor De Boer open. Tegenwoordig spreekt hij op het Witte Huis en overlegt hij op het Elysée. Zijn grootste kracht is volgens Von Meijenfeldt zijn inhoudelijke gedrevenheid. „Hij is een ouderwetse milieuambtenaar, in de goede zin van het woord. Hij heeft hart voor de zaak, gaat tot het uiterste om dingen voor elkaar te krijgen.”

Volgens Leo Meyer, die destijds bij VROM werkte maar inmiddels klimaatrapporten schrijft voor het Planbureau voor de Leefomgeving, leven klimaatonderhandelaars in een heel eigen wereldje. Het is een rondreizend circus met eigen codes – die door sommigen wel eens worden verward met de echte wereld. „Het kan heel verslavend zijn, een soort pokeren”, zegt Meyer. „De kracht van Yvo is dat hij daar uit kan stappen. Hij houdt altijd het achterliggende doel in het oog.”

Jan de Boer, Yvo’s oudere broer, bevestigt dat. „Als er vroeger wat was in het gezin, wist hij vaak oplossingen te bedenken, waarbij hij zelf op de achtergrond bleef”, zegt broer Jan. „Hij is niet te bescheiden om hier en daar druk uit te oefenen, maar meestal zonder zelf betrokken te raken.”

Precies dat wordt hem in de klimaatwereld nog wel eens verweten. De Boer is geen prototype-diplomaat. Geen feel good ambassador, zoals iemand het omschrijft. Hij zegt waar het op staat. En dat weet iedereen ook. „Volhardend, gefocust en geconcentreerd”, in de woorden van Henriëtte Bersee, die tijdens ‘COP10’ in Buenos Aires (2004) met De Boer samenwerkte. Bert Metz formuleert het iets anders: „Hij is gehaaid en zorgt dat hij linksom of rechtsom zijn zin krijgt”. Daarmee haalt hij zich nog wel eens de woede op de hals van landen die hij vermanend toespreekt.

Volgens Von Meijenfeldt kan De Boer wel eens flegmatiek overkomen. Zijn vader was ambassadeur en hoewel zijn ouders hun best deden de kinderen zoveel mogelijk zelf thuis op te voeden, bracht Yvo een aantal jaren door op een Britse kostschool. Iets van die sfeer is blijven hangen. „De pokerface, het perfecte Engels, die sonore stem”, vat Von Meijenfeldt samen. „Je kunt aan zijn gezicht niet zien wat hij denkt. Als je een grap maakt, levert dat ook nooit een brede lach op.” Al heeft hij wel gevoel voor humor, aldus Von Meijenfeldt. „Soms een tikje aan de zwarte kant, waardoor hij mensen wel eens op het verkeerde been zet.”

Volgens Maayke Damen, jeugdlid van de Nederlandse onderhandelingsdelegatie tijdens de conferentie in Poznan (2008), houdt De Boer van verrassingen en krijgt hij „pretoogjes” als hij tijdens een vergadering iets bijzonders kan doen.

Tijdens de beruchte klimaatconferentie op Bali in 2007, was De Boer voor het eerst actief in zijn huidige functie. Het werd een dramatische bijeenkomst, die op een totale mislukking dreigde uit te lopen. Op het hoogtepunt werd De Boer er door China van beschuldigd de zaak te hebben gemanipuleerd. Hij had de plenaire zitting geopend terwijl een minister van gastland Indonesië in een andere zaal nog met delegatieleiders zat te onderhandelen. De Boer – met een vrolijk tropenshirt tussen allemaal keurige pakken – wist daar niks van. Achteraf was hij het slachtoffer van een competentiestrijd tussen twee Indonesische ministers. De Boer trok zich de aanval op het secretariaat persoonlijk aan. Hij wilde reageren, maar zijn stem brak en in tranen verliet hij de zaal. In de Britse tabloids heette hij de volgende dag The Crying Dutchman, die met zijn tranen de conferentie redde.

„Yvo heeft een sterk gevoel voor rechtvaardigheid en dit raakte hem persoonlijk heel diep”, zegt broer Jan. Wat op Bali gebeurde, was dan ook niet gespeeld, al kantelde daardoor wel de sfeer en opende de conferentie de weg naar Kopenhagen.

Voor De Boer is klimaatbeleid in de eerste plaats een intellectuele uitdaging, een milieuvraagstuk, waarvoor het antwoord in de economie gevonden moet worden en dat alle beleidsterreinen raakt. Volgens broer Jan maakt hij zich wel degelijk zorgen over klimaatverandering. „Maar het is niet iets waar hij geestelijk door belast wordt. Hij hoeft er niet voor in therapie.”

    • Paul Luttikhuis