Vrouwen doen Frans 3

Wetenschapsbijlage 21 en 28-11-09

‘Grappig hoe dat werkt, die vooroordelen’, zo begint Tieneke Ansink haar brief in de bijlage van afgelopen week als zij beschrijft hoe haar begaafde bètadochters door onwetende docenten in een hoek worden gezet. Ik ben gedurende mijn werkzame leven leraar wiskunde geweest en ik was gewend dat in de ene klas de beste leerling een meisje was en in de andere een jongen. Dat leek me ook normaal. Het valt trouwens niet mee om aan de generaliserende uitspraak dat ‘jongens beter zijn in wiskunde dan meisjes’ een exacte zin te verlenen, vooral niet als je weet dat goede wiskundeaanleg opvallend vaak samengaat met goede aanleg voor talen. In elk geval geloof ik niet dat leraren Duits daar tijdens hun studie veel over leren, zodat ik hun voorstel daarover te zwijgen. Ik ben het dus geheel met mevrouw Ansink eens.Ik ben echter verbijsterd door haar toelichting. Einstein dankt in haar ogen zijn bekendheid uitsluitend aan zijn geslacht. In de daarna volgende zin suggereert zij dat de eer in feite toekomt aan Emmy Noether, die Einstein achter de schermen hielp met de wiskunde achter zijn relativiteitstheorie. Het is niet eenvoudig om in een zo kort bestek zoveel misverstanden bij elkaar te vinden. Einstein kreeg zijn Nobelprijs – en dus een deel van zijn bekendheid – voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect en dat is iets anders dan zijn relativiteitstheorie. Ook het verdere werk van 1905, en dan met name de speciale relativiteitstheorie, stelde geen hoge eisen aan Einsteins wiskundige mogelijkheden: het berustte veeleer op een dieper doordenken van de grondslagen van de natuurkunde dan vóór hem was gebeurd. Dat zijn algemene relativiteitstheorie een wonder van mathematische elegantie genoemd mag worden dankt hij in eigen woorden geheel aan Hermann Minkowski. Hoe Emmy Noether, die haar grote naam geheel aan haar werk aan de moderne algebra dankt, Einstein had kunnen helpen bij zijn problemen met vierdimensionale, al dan niet euclidische, meetkunde ontgaat mij.Emmy Noether, zo gaat mevrouw Ansink verder, werd, omdat ze vrouw was, niet toegelaten tot de universiteit. Dat is veel gezegd van een vrouw die in 1907 summa cum laude promoveerde en die in 1915 in Göttingen, het Mekka van de wiskunde destijds, begon te doceren. Daar werd zij zeer gewaardeerd door vakgenoten als David Hilbert en leerlingen als de Nederlander B.L. van der Waerden, maar – in de woorden van D.J. Struik – ‘als vrouw en als jodin had zij met zware vooroordelen te kampen. Haar hoogste titel was nicht- beambtete ausserordentliche Professor’. Toen zij voor Hitler moest uitwijken vond zij in de USA alleen een plek aan een vrouwenuniversiteit. Het gaat niet aan, vind ik, om deze vrouw die tot de groten van de twintigste-eeuwse wiskunde behoort maar wie grotelijks onrecht is gedaan, voor ons kleine karretje te spannen. Wie dat doet, doet haar postuum tekort.Ook Pythagoras wordt ten tonele gevoerd. Tot dusver wisten wij zeer weinig van deze oude Griek, omdat er in zijn school een absoluut spreekverbod heerste dat maar een enkele keer is doorbroken: zelfs zijn beroemde stelling is pas eeuwen na zijn dood aan hem toegeschreven. Maar nu blijkt dan dat al dat onbekende werk samen met zijn vrouw en dochters is verricht – maar natuurlijk onder zijn eigen naam is gepubliceerd. Aldus mevrouw Ansink. Mag ik vragen: bij welke uitgever? Mevrouw Ansink heeft gelijk dat er virulente vooroordelen bestaan en dat die bestreden moeten worden. Het lijkt mij echter dat die bestrijding zinloos is als men het ene vooroordeel simpel vervangt door een ander.

Jan Verhoef

Amsterdam

    • Jan Verhoef Amsterdam