'Vader vluchtte midden in de nacht'

In het laatste oorlogsjaar dook het burgemeestersgezin van Niek Schuman (1936) onder. ‘Mijn twee oudste broers hadden de sterkste verhalen.’

‘Je ziet het er niet zo aan af, maar dit was een feestelijk moment. Eén dag na de officiële bevrijding haalden we mijn vader op van zijn laatste onderduikadres. Ons gezin werd na ruim acht maanden herenigd. Later die dag was er een intocht voor mijn vader in Lopik. Mijn sjerp en puntmuts waren oranje.

„Mijn vader was burgemeester van Lopik. Na de Duitse inval werkte hij aanvankelijk gewoon door. Hij was niet heldhaftig, maar hij stelde zichzelf wel vragen, zoals veel bestuurders in die dagen: hoelang kon je op je post blijven zonder dat het collaboreren werd? In 1944 vond er een gefingeerde overval op het gemeentehuis van Lopik plaats, een beproefde methode van het verzet: een groepje gewapende mannen maakte de ambtenaren een stapel persoonsbewijzen afhandig. Mijn vader was op de hoogte en speelde mee; hij was dus medeplichtig. Toen er bericht kwam dat de Duitsers een razzia zouden houden waarbij hij ook zou worden gepakt, moest hij halsoverkop onderduiken. Hij vluchtte midden in de nacht.

„De rest van ons gezin werd over verschillende huizen verdeeld. Ik kwam met mijn moeder en mijn zusje Molly bij de buurvrouw terecht, tante Jannie: een ongetrouwde, strenge vrouw. Het was een akelige tijd. Zelf liepen we geen direct gevaar, ik bleef gewoon naar het dorpsschooltje gaan, maar mijn moeder was doodsbenauwd dat via ons de verblijfplaats van mijn vader aan het licht zou komen. Ze verfde d’r haar rood en nam de achternaam van tante Jannie aan. Wij kregen ook schuilnamen.

„In het voorhuis van tante Jannie waren ook een Duitse officier en adjudant ingekwartierd. Gevaarlijk, achteraf, maar ze hadden geen idee wie wij waren. Ze beheerden de voorraden voor de troepen in de omgeving: boter, kaas, zuur brood. Ik kreeg weleens wat van ze, en een van hen speelde soms met mij. Mijn moeder vond dat maar niets, maar het waren nette kerels. Ik was veel banger voor de twintig Wit-Russische soldaten die ons oude huis, de burgemeesterswoning, hadden ingenomen. Door het raam van tante Jannie kon ik ze zien. Ze waren luidruchtig, ze maakten rotzooi. In onze tuin werd elke dag een vlag met een hakenkruis gehesen.

„Mijn vader heeft in totaal op vier adressen ondergedoken gezeten. Het gemeentebestuur wist waar hij was en mijn moeder was ook op de hoogte: zij reed soms ’s nachts op de fiets naar hem toe. Eén keer is mijn vader ons zelf komen opzoeken, met Kerstmis. Hij nam me op schoot: hij had opeens een snor. Ik vond hem eng.

„Toen we na de Bevrijding in ons huis terugkeerden, was het vies en uitgewoond. In de tuin lagen hulzen van kogels. Ik had een zware longontsteking, maar mijn broertje Keesje was er nog slechter aan toe: hij had bij ons voormalige dienstmeisje in huis gezeten en was daar zwaar ondervoed geraakt. In augustus ’45 stierf hij aan difterie, in een ziekenhuis in Utrecht. Vooral mijn vader heeft daar veel verdriet van gehad. Mijn moeder ook wel, maar die redde het dankzij haar nuchtere inslag: er waren nog zes kinderen over en het gezin moest door.

„De spanningen uit ons ‘oorlogsjaar’, zoals we het noemden, hebben nog jaren nagesmeuld. We praatten er vaak over; vooral op zaterdagavond, dan zaten we bij elkaar en vertelde iedereen wat hij had meegemaakt. Mijn twee oudste broers hadden de sterkste verhalen. Die hadden in een boerderij gezeten met twee échte onderduikers, jongemannen van een jaar of twintig die aan de Arbeitseinsatz wilden ontkomen. Bram en Lein hadden van hen geleerd hoe je zelf sigaretten kon maken van gedroogde tabaksbladeren, en die rookten ze dan samen op. Dat was nog eens stoer.”

De sombere flat blijkt binnen een behaaglijke oase. Op een bijzettafeltje ligt zijn laatste boek: een studie van de psalmen. Een liefhebberij, zegt hij bescheiden. Na zijn pensioen had hij er opeens tijd voor.

Heeft u ook een interessante familiefoto? Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss