Susan Neiman : Pessimisten hebben een slecht geheugen Leon de Winter: De aarde wordt niet warmer pagina 4 en 5

Een sombere of zonnige kijk op de geschiedenis staat los van wat iemand heeft meegemaakt. Ondanks Auschwitz, Hiroshima en Abu Ghraib is er vooruitgang

pagina 2 en 3

The Last Judgement -- BOSCH, Hieronymus : 1450-1516 : Flemish Photo Credit: [ The Art Archive / Suermondt Museum Aachen / Alfredo Dagli Orti ] The Picture Desk

Filosoof en essayist. Directeur van het Einstein Forum in Potsdam. Schreef onder meer ‘Slow fire’ (1992) over haar leven als Joodse vrouw in het Berlijn van de jaren tachtig, ‘The Unity of Reason: Rereading Kant’ (1994) en ‘Moral Clarity: A Guide for Grown-Up Idealists’ (2008).

Pierre Bayle was van mening dat de geschiedenis van de mensheid niets anders was dan „de leugens, tegenslagen en beproevingen van het menselijk ras”. Deze bewering herhaalde hij met kleine variaties in het grootste deel van zijn werk. Die bewering was niet origineel: het idee dat alles vreselijk is en alleen nog maar erger wordt, is al vastgelegd in de Egyptische hiërogliefen.

Waarom blijft zo’n standpunt aanspreken? Bedenk dat de christelijke leer van de erfzonde wel een versterkende factor is, maar dat het beeld van de wereld als een eindeloze cyclus van ellende en rampspoed ook al te vinden is bij de oude Grieken en boeddhisten, en dus helemaal niet van een bepaalde godsdienst afhangt.

Nu zullen veel mensen betogen dat zo’n opvatting aanspreekt omdat ze waar is. En bewonderaars van Bayle, zoals Voltaire en Hume, hebben zich veel moeite getroost om een opsomming te geven van alle leugens, tegenslagen en beproevingen die volgens hen – en Bayle – de geschiedenis van de mens vormden.

Nu denkt u misschien dat Bayle zich op ’s levens beproevingen richtte omdat hij er zo veel had gezien – met name zijn eigen vlucht voor katholieke vervolging en het lot van zijn broer, die niet vluchtte en in een Franse gevangenis overleed. Maar of u zich richt op de genietingen of de beproevingen van het leven, lijkt geen kwestie van uw eigen ervaring ermee – zoals Rousseau opmerkte in een beroemde brief aan Voltaire. (Die brief wees erop dat Voltaire gezegend was met roem en rijkdom, en toch niets dan kwaad in de wereld zag. „En ik, verscholen, arm, alleen, gekweld door een aandoening zonder remedie, ik mijmer met genoegen in mijn retraite en vind dat alles goed is. Waar komt deze schijnbare tegenstrijdigheid vandaan?”) Waarom bewegen sommigen van ons zich heen en weer tussen cynisme en wanhoop en hebben anderen het in zich om regels te schrijven als Leonard Cohen:

And even though it all went wrong

I’ll stand before the Lord of song

With nothing on my tongue but Hallelujah

De vraag is een diepzinnige en het antwoord is zeker voor een deel psychologisch – al zou je het ook een kwestie van genade kunnen noemen. Het is beslist niet iets wat met argumenten kan worden opgelost. Want die argumenten hangen nu eenmaal altijd af van valse tweedelingen: de vooruitgang voltrekt zich ofwel dankzij de kracht der noodzaak, ofwel in het geheel niet. Deze veronderstelling is altijd impliciet, nooit expliciet, deels omdat die alles-of-niets-tweedeling te gek is om vol te houden als ze eenmaal is uitgesproken, maar ook omdat het duidelijk wordt dat beide alternatieven de menselijke vrijheid zouden ondergraven. Als de geschiedenis van de mens noodzakelijkerwijs vooruitgang inhoudt, gebeurt dit zonder een bepaalde bijdrage van de mens hieraan. Als de geschiedenis van de mens geen vooruitgang vertoont, is alles wat wij doen niet meer dan vermaak – verwoed maar doelloos gedraai van onze raderen.

Maar er is wel degelijk een volmaakt redelijke derde mogelijkheid, even duidelijk voor het gezond verstand als ze voor Kant was. Vooruitgang is mogelijk, maar zeker niet noodzakelijk, en het is aan de individuele mens om haar te verwezenlijken.

Neem één belangrijk voorbeeld. Een van de grote verworvenheden van de Verlichting was de afschaffing van folteren. Als ik over de vooruitgang nadenk, probeer ik mezelf voor te houden dat openbare terechtstelling door foltering, waarbij mijn maag alleen al omdraait als ik er een beschrijving van lees – de bekendste hedendaagse beschrijving is die van Foucault in zijn boek Discipline, toezicht en straf – dat dit soort openbare terechtstelling door foltering driehonderd jaar geleden in elke hoofdstad van de beschaafde wereld gezinsvermaak was. Op een dag waarop we niets beters te doen hadden, zou ik er met mijn kinderen naar zijn gaan kijken: „Trek je schoenen aan, schat, anders komen we te laat voor het ophangen en vierendelen!” Nee, ik kan me dat niet echt voorstellen en daar gaat het nu juist om. Niet alleen onze overtuigingen over de vraag of marteling al dan niet toelaatbaar is, ook onze instinctieve reacties zijn veranderd. Maar met een wonderlijk soort blijdschap zijn de beroepsschoppers tegen de Verlichting op de herinvoering van de foltering door de regering-Bush gedoken. „Zie je wel?”, zegt John Gray, om een van de meest prominente van die schoppers te noemen. „De Verlichting wilde van de foltering af en nu is ze weer terug. Mooie vooruitgang. q.e.d.”

De blijdschap én het argument berusten op dusdanig mechanistische veronderstellingen dat ze zelfs voor de natuurwetenschappen niet opgaan: ook ziekten die ooit zijn uitgebannen, kunnen terugkomen. Als waakzaamheid geboden is om de terugkeer van een natuurlijk kwaad als pest en pokken te voorkomen, hoeveel meer is er dan niet nodig om de terugkeer te voorkomen van het kwaad dat de mens voortbrengt. De afschaffing van de foltering was onafwendbaar noch onomkeerbaar – evenals elke andere daad die van de menselijke vrijheid afhangt.

Maar op sommige plaatsen gebeurde het toch, dankzij de inspanningen van mannen en vrouwen die werden geleid door de idealen van de Verlichting. En juist die idealen hebben, toen ze door de regering-Bush werden geschonden, overal ter wereld tot protesten geleid – op het ogenblik het sterkst in Amerika zelf – tegen Abu Ghraib en Guantánamo en de naamloze black sites die naar verluidt nog erger zijn. Let wel: black sites. Schijnheiligheid is het compliment van de ondeugd aan de deugd en complimenten zijn belangrijk. Geen staatshoofd ging driehonderd jaar geleden staan liegen dat zijn land niet martelde. Geen soldaat probeerde het te verbergen. En hoe krom de redenering ook is waarmee een kamp in een bezet stukje Cuba werd ingericht om bevrijd te zijn van de wettelijke beperkingen die voor de gevangenissen in eigen land gelden, er blijkt wel een verinnerlijking van bepaalde morele codes uit die in vroeger eeuwen nog niet bekend was. Een deel van onze menselijkheid – zij het naar ik hoop een steeds minder wezenlijk deel – is dat wij ongeduldig, ondankbaar en jammerlijk kort van memorie zijn. De anti-Verlichtingsmythe dat vooruitgang ofwel noodzakelijk ofwel onmogelijk is, heeft bij nadere beschouwing geen enkele grond.

Maar er is nog een mythe, evenzeer onuitgesproken, die naar ik vermoed nog krachtiger is. Ieder die de Verlichting verdedigt, zo suggereert deze mythe, is niet zomaar naïef, maar is een sukkel – niet in staat de harde waarheid te verdragen hoe afschuwelijk de wereld echt is. Ze troosten zich met loze dromen en wishful thinking, terwijl wij stoere jongens zonder een spier te vertrekken de werkelijkheid en haar onverbrekelijke treurigheid onder ogen kunnen zien. De Verlichtingsdenkers houden zichzelf voor de gek met allerlei vormen van soelaas, zoals – in het beste geval – kinderen geloven in Sinterklaas en – in het slechtste geval – oude revolutionairen in een visioen van de Sovjet-Unie blijven geloven. Wij realisten, zeggen de stoere jongens, zijn dapper genoeg en eerlijk genoeg om de feiten onder ogen te zien.

Het hoort bij het mens zijn – al is het, hoop ik, minder essentieel – om ongeduldig, ondankbaar en bedroevend slecht van geheugen te zijn.

Ik dacht hieraan in verband met een veel recenter voorbeeld van vooruitgang. Veel van mijn landgenoten beklagen onze achterlijkheid (of Obama’s weifelachtigheid) inzake een simpele kwestie van burgerrechten: we hebben een zwarte president, maar in de meeste deelstaten mogen homoseksuelen niet trouwen. Het is waar, ze mogen het niet, hoewel peilingen aantonen dat Amerikanen meer voor het homohuwelijk zijn naarmate ze jonger zijn. Het homohuwelijk wordt dus zeker binnen twee decennia legaal.

Denk dan nog eens na: de Verenigde Staten laten nog steeds geen openlijke homoseksuelen in het leger toe. In de jaren zestig, toen er nog dienstplicht was, hoefde een man weinig te doen om eruit te blijven. Hij hoefde alleen maar bij de dienstplichtcommissie binnen te wandelen en overdreven homoseksuele gebaren na te doen. Fluitje van een cent. Maar bijna niemand deed het. Mannen wilden liever naar de gevangenis gaan, naar Canada vluchten, of naar Vietnam zelf gaan dan te leven met een stigma dat ze misschien niet deden alsof ze homoseksueel waren maar dat ze eigenlijk toch flikkers waren. Bedenk dat dit niet het tijdperk van Diderot was, maar dat dit onze tijdgenoten waren, intelligente mannen, linkse mannen, Bij hen kwam het niet op om het vooroordeel tegen homoseksuelen ter discussie te stellen.

Waar rechten van homoseksuelen ook over gaan, ze zijn geen simpele burgerrechtenkwestie. Ze raken aan te veel diepe en ingewikkelde emoties om simpel te zijn. Als we ons standpunt in de afgelopen decennia zo radicaal hebben veranderd, moeten we een moment nemen om dankbaar te zijn.

Nogmaals, ik houd geen pleidooi voor Pangloss. Maar ik zou wel willen dat we nog eens nadenken over onze neiging – die aanmerkelijk is toegenomen sinds de tijd van Bayle – om ervan uit te gaan dat de eerlijkheid en het fatsoen van ons vereisen dat we alles zo somber mogelijk inzien. Ik wil niet besluiten zonder te wijzen op één reden voor de afwezigheid van hoopvoller opvattingen over de geschiedenis van de mens, omdat deze even simpel als zwaarwegend is: we schamen ons ervoor. In de VS, en nog duidelijker in Europa, heeft rechts het hele morele vocabulaire gekaapt dat nodig is om een hoopvoller opvatting te verwoorden – niet alleen woorden als waar en nobel en held, maar ook woorden als legitiem en vooruitgang, die ter vervanging daarvan moesten dienen. Áls zulke woorden al worden gebruikt, dan worden ze getooid met het klatergoud van aanhalingstekens – door filosofen aangeduid als scare quotes, een woordspeling op vogelverschrikkers (scarecrows) – om de schaamte van de spreker uit te drukken. Dit is het ultieme postmoderne gebaar, al lijkt niemand erbij stil te staan hoe onnozel het eruitziet. De vingers geven te kennen dat de spreker veel te subtiel – zeg maar cool – is om echt iets eenvoudigs als waarheid of nobelheid of heldhaftigheid te bedoelen, en nog verder verfijnd ondergraaft het gebaar het hele idee van betekenis of belang. (Een simpele manier om het morele debat en het debat in het algemeen te verheffen, zou zijn om te onthouden onze handen in onze schoot te houden.)

Wij schamen ons gewoon om iets hoopvollers dan Bayle te beweren – al is dat pas echt waarvoor we ons zouden moeten schamen. Zijn we er sinds de tijd van Bayle op achteruitgegaan? Beslist, maar ook op vooruit. Sterker nog: zoals de Duitse schrijver Jan Philipp Reemtsma in zijn belangrijke boek Vertrauen und Gewald heeft betoogd, is onze veroordeling van geweld juist al een van de triomfen van de beschaving. Wij blijven wijzen op de misdaden in Auschwitz, of op Hiroshima, en ons afvragen hoe het geweld van de 20ste eeuw mogelijk was – en vergeten daarbij dat in vroeger eeuwen die vraag niet eens gesteld zou zijn. Toen Djengis Khan bergen bouwde van de schedels van zijn vijanden of de Spaanse conquistadores hele dorpen afslachtten om de scherpte van hun zwaarden te beproeven, leed de mensheid – maar ging het morele denken niet veel verder dan een variant op: pech gehad. Om een afgod te behagen of mild te stemmen, was zelfs het slachten van een eigen kind niet uitgesloten, en dat gebeurde van Mesopotamië tot Mexico. Zoals de Griekse tragedie ons voorhoudt, kon zo’n offer tot enorme rouw en woede leiden – maar niet echt tot de verontwaardiging zoals de lezing van die verhalen tegenwoordig bij ons wekt. En veel dichterbij huis: weinig christenen troosten zich tegenwoordig met levendige beelden van hun vijanden die kronkelen in de hel, het soort taferelen dat we kennen van Tertullianus of Bosch. Tegenover elke stap de ene kant op kan een redelijk mens een stap in de andere richting stellen. (Penicilline? Moderne oorlogvoering! Kernenergie? Milieugevaar! Gelijkheid tussen man en vrouw? Gezinsverzwakking! Wasmachines? Videospelletjes! Mensenrechten? Mondiale uitbuiting!) Zie het als een wipplank en het spel is in aanleg oneindig. Om welke reden we ook worden aangetrokken tot het standpunt dat we innemen, het gaat daarbij niet om bewijzen, want de bewijzen gaan beide kanten op. Is het glas halfleeg of is het halfvol? De les van dit afgezaagde voorbeeld van optimisten en pessimisten is dat dit deels aan onszelf is.

De weigering ons te schamen als we bij het goede in de wereld stilstaan is een daad van dankbaarheid, door 18e-eeuwse denkers van Adam Smith tot Kant gezien als een fundamentele morele emotie, terwijl ondankbaarheid werd beschouwd – om alleen maar David Hume te citeren – als de meest gruwelijke, onnatuurlijke misdaad. En dankbaarheid is nauw verbonden met eerbied, waarvoor ik tot besluit een pleidooi wil houden. Bayle’s werk geeft daarvan heel weinig blijk en dat is een van de redenen waarom veel geleerden zijn geloofsbelijdenissen, anders dan die van Pascal en Kierkegaard, als vals beschouwen. Maar eerbied is niet hetzelfde als vroomheid. De latere Verlichting moest niets hebben van dat laatste, maar was geheel doortrokken van uitingen van het eerste. Hun hele wetenschapsbegrip was nauw met eerbied verbonden: de wetenschap van de Verlichting begroef God uiteindelijk niet, maar loofde Hem. Ze meende dat wij naarmate we de orde van het heelal beter begrepen, meer bewondering voor Gods wijsheid konden hebben – en voor Zijn goedertierenheid om ons de gave van de rede te geven waarmee we al Zijn majesteit konden begrijpen.

Het is verleidelijk ons af te vragen welke kant Bayle zou zijn opgegaan als hij nog iets langer had geleefd. Zouden de nieuwe wetenschap en de nieuwe sociale en politieke veranderingen die ermee gepaard gingen hem ervan hebben overtuigd dat de rede tot meer in staat was dan in haar eigen staart te bijten? Zou hij zijn zogenoemde ‘theorie van de onbegrijpelijkheid der dingen’ hebben opgegeven en zich hebben verheugd over het besef van alles wat we wel begrijpen? Dit soort vragen leidt soms tot biografische gezelschapsspelletjes of zelfs tot boeiende bespiegelingen, maar filosofisch slaan ze de plank mis. Ongeacht of Bayle zou hebben opengestaan voor rede en eerbied en hoop, niets hoeft ons te beletten om dit in zijn plaats te doen.

Dit is de bekorte versie van de Pierre Bayle-lezing die Susan Neiman donderdagavond uitsprak in de Arminiuskerk in Rotterdam.

    • Susan Neiman