MBA-opleiding als hogere huishoudschool

‘Onze eerste verantwoordelijkheid betreft natuurlijk onze klanten”, sprak de bestuursvoorzitter van het zorgconglomeraat, en ik zat al instemmend te knikken. Mooi gezegd, klanten zijn belangrijk, die moet je goed bedienen. Pas onderweg naar huis bedacht ik hoe ik mijn kritisch vermogen had ingeleverd. Klanten zijn goed, markt is goed, dat vind ik ook, maar dat betekent niet dat alles markt is. Ik had me laten inpakken door een denkbeeld dat zich een veel grotere plek toe-eigende dan waar het recht op had, en zo zat ik te knikken bij iets waar helemaal niet bij geknikt moest worden. Want een zorginstelling heeft geen klanten. Klanten heb je op de Albert Cuyp, die kunnen tegen een groentekraamhouder zeggen dat hij te duur is of dat zijn spullen niet deugen, en naar een ander gaan. In een zorginstelling kun je niet naar een ander.

‘Markt’ is een begrip, een denk-beeld dat zich in onze hoofden heeft genesteld. Denk-beelden zijn veel meer dan ijle verzinsels die verder niets betekenen. Het zijn rasters waardoorheen we de dingen om ons heen bekijken, ordenen en proberen te begrijpen. Als we ze begrepen hebben, gaan we ermee aan de slag, en zo sturen ze ons gedrag. ‘Markt’ is de laatste jaren oppermachtig geworden en heeft veel andere denkbeelden overwoekerd. Bijna alles om ons heen zijn we gaan duiden volgens dat raster. En als je alles als markt behandelt, wordt het dat ook.

Hoe nestelen denkbeelden zich in onze hoofden, en hoe worden ze zo dominant? De Britse bioloog Richard Dawkins, de auteur van het controversiële boek God als misvatting, was ook 30 jaar geleden al spraakmakend met een boek over ‘zelfzuchtige genen’. In een Darwiniaanse werkelijkheid is de voortplantingsdrift bepalend, zegt hij. Alleen gaat het niet om de voortplanting van individuen, maar van de genen waarvan zij de dragers zijn. De genen zitten aan het stuur, wij mogen denken dat we onze eigen weg gaan, maar intussen volgen wij een extern programma. Maar machtiger nog dan zelfzuchtige genen, stelt Dawkins op het eind, zijn zelfzuchtige memen. Memen zijn denkbeelden; ze muteren sneller dan genen omdat ze niet aan een biologisch chassis vastzitten. Ze planten zich voort als virussen, door infectie, zoals ooit ‘bevrijd Jeruzalem’ ten tijde van de kruistochten heel de bevolking van West-Europa tot koorts dreef. Ze kunnen moorden, zoals de meme ‘de vijand is geen mens’ al gedurende de hele mensheidsgeschiedenis miljoenen het leven kostte. Pas achteraf, als de koorts is uitgewoed, kunnen de daders bij zinnen komen en zich verbijsterd afvragen wat hen bezielde.

‘De markt’ kost geen levens, althans niet zichtbaar binnen ons blikveld, maar het is wel een agressieve meme die hele levensterreinen usurpeert en andere, mildere memen wegdrukt. Want een zorginstelling – het woord alleen al, vroeger heette dat een bejaardenhuis en nog eerder bleven opa en oma gewoon onder een dak wonen met hun kinderen en kleinkinderen – is geen leverancier van ‘het product zorg’. Een school is meer dan een leverancier van onderwijs, en een gezin iets anders dan een producent van opvoedingsdiensten.

Er is een andere, waardevolle maar oude en bijgevolg misschien minder weerbare meme, die door het geweld van de markt het ravijn in gebulldozerd dreigt te worden. Het is de meme die de samenleving niet ziet als markt, maar als woning of huishouden. Het Griekse woord is oikos, waarvan onze begrippen economie en ecologie zijn afgeleid. Zo schreef de Athener Xenophon al in de vijfde eeuw voor Christus zijn handboek voor landgoedbeheer, Oikonomikos. In onze tijd is de Rotterdamse hoogleraar Arjo Klamer een van de pleitbezorgers van het oikosmodel. Als econoom probeert hij de economische wetenschap weer bij zijn wortels te brengen.

Economie ging dus ooit over de vraag wat er komt kijken bij verantwoord beheer van een huishouden. Een MBA-opleiding is in de eerste plaats een hogere huishoudschool; ik mag het zeggen, ik heb er zelf een gevolgd. Ook het begrip ecologie gaat oorspronkelijk uit van het huishoudbesef – de aarde als woning, waar we niet als calculerende marktpartijen samenleven maar een gedeeld belang hebben bij elkaar en het huis. Wie in de woning probeert zijn bijdragen als huisgenoot te verkopen als markttransacties, heeft iets niet begrepen. Net zoals degene die het normaal vindt voor eigen gebruik het maximale uit de huishoudportemonnee te halen. Die moet zijn gedrag bijstellen of vertrekken, anders vluchten zijn huisgenoten en verkommert het huis.

Het woord woning is deel van een rijk en vol begrippencomplex. We zijn er gewend aan onze gewoonten. We stellen ons niet aan, we doen er gewoon. En als alles goed gaat geeft dat een gevoel dat in het Duits Wonne heet, gelukzaligheid. Het Latijnse woord voor oikos is domus, waar dominus en dominant vandaan komen. De dominus, de heer des huizes, is niet een heerser die bevelen uitdeelt, maar in de eerste plaats een goed huisvader – gelukkig nog steeds een kernbegrip in ons Burgerlijk Wetboek. Het doet denken aan het christelijke begrip rentmeesterschap, maar het is meer. De rentmeester is alleen zijn baan kwijt als hij het niet goed doet. De heer die zijn oikos verwaarloost, verliest zijn bezit.

We hebben jarenlang geleefd met het waarnemingsraster van de markt voor onze ogen. Het heeft ons veel gebracht, maar het is een concept dat tegen zijn bruikbaarheidsgrenzen aanloopt en zelfs schade begint aan te richten. Op een aantal terreinen kunnen we rustig doorgaan met de markt-meme; op andere gebieden valt er veel te winnen door de oikosmeme in ere te herstellen. Voor familiebedrijven is het vaak een vanzelfsprekend model, en veel beursgenoteerde ondernemingen zouden gebaat zijn bij wat meer huisvaderlijk bestuur. En zorginstellingen mogen weer een tehuis worden, met bewoners in plaats van klanten, en een bestuursvoorzitter als heer des huizes.

    • Johan Schaberg