Maanvragen

Karel Knip

Waarom valt de maan niet op de aarde? Hoe komt het toch dat volwassenen denken dat kinderen zich dat afvragen. Kinderen, kinderen van beneden de zes, vragen zich dat helemaal niet af. Hoe zouden zij moeten weten wat de maan allemaal kan of niet kan? Zij vragen zich ook niet af waar de zon blijft als-ie ondergaat. En ze verbazen zich niet over het feit dat zon en maan precies even groot zijn. Ze nemen het zoals het komt.

Wat ze eigenaardig vinden is dat zon en maan soms tegelijk aan de hemel staan. En dat er kennelijk een mannetje zit op de maan, ook al is daar niets van te zien. Het raarst vinden kinderen dat de maan met je mee reist als je met auto, bus of trein door het landschap raast. Een kleine steekproef onder volwassenen die zich hun kleutertijd nog scherp voor de geest konden halen toonde dat deze week weer aan. Het staat ook heel expliciet in deel I van ‘De natuurkunde van ’t vrije veld’ van prof.dr. M. Minnaert. Minnaert noemt het een van de eerste dingen die hem als kind troffen.

Het meereizen van de maan is natuurlijk ook in duidelijke tegenspraak met de wetmatigheid die kinderen tegen hun zesde al wèl hebben ontdekt: wie vooruit reist door een landschap laat het landschap zelf achter zich. Het zou aardig zijn geweest als Minnaert wat langer had stilgestaan bij opmerkingsgave en observatievermogen van kinderen. Veel stelt dat niet voor. Zouden kinderen doorhebben dat de volle maan ’s winters heel hoog aan de hemel staat en ’s zomers juist heel laag? Dat de maan bij de horizon veel groter lijkt dan hoog aan de hemel? Dat de maan op schilderijen en tekeningen altijd veel te groot wordt afgebeeld? De meeste volwassenen hebben het nog steeds niet door.

Lang niet alle maanvragen wellen spontaan op. Als je ze niet bedènkt komen ze vaak helemaal niet. Deze week was de vraag bedacht of een mens bij volle maan kleur kan zien in het landschap. Of dan de kegeltjes in het netvlies werken. Bij halve maan, dus de maan in eerste of laatste kwartier, is dat zeker niet zo, schrijven de astronomen Lynch en Livingston in ‘Color and light in nature’. Maar volle maan? In december staat de volle maan mooi hoog aan de hemel en afgelopen woensdag wàs hij vol. Maar dan zou het regenen, zei het KNMI. Dus al op dinsdag met wat felgekleurde voorwerpen (een tube Prodent-tandpasta, een plastic Albert Heijn-tas) ’s avonds laat het vrije veld in. En vastgesteld: ja, er is net kleur te zien. Niet in het landschap maar wel op de tube en de tas. Rood, blauw, zwart. Geen twijfel mogelijk.

Tevreden thuisgekomen en nog eens nagekeken wat Minnaert erover schreef. Minnaert heeft het zich niet afgevraagd maar stond wel stil bij de kleur van de maan zelf. Die is gelig bij maansopgang en verschuift naar wit naarmate hij hoger aan de hemel klimt. Mensen die het maanlicht blauwig noemen, en dat zijn er nogal wat, hebben te lang in geel licht gekeken voor ze de blik ten hemel sloegen. Het meest uitgesproken is dat bij een uitslaande brand. ‘Personen die een half uur lang in de oranjegele vlamen van een brand hadden gestaard, zagen de maan blauw opgaan.’ Niet blauwig maar blauw. Het gezegde once in a blue moon slaat overigens niet op de kleur van de maan maar op een zeldzame gebeurtenis. Meestal is het maar twaalf keer per jaar volle maan, maar soms zijn er dertien volle manen. Toevallig is dit jaar zo’n jaar. Onze dertiende volle maan valt op oudejaarsavond. Dat is tegelijk de midwintervollemaan.

Vreemd genoeg blijkt het maanlicht zelf weer van invloed op het gemak waarmee de kleuren van de sterren worden waargenomen. ‘Een goed waarnemer deelt mij mede, dat hij de kleuren der sterren beter bij maanlicht kan bepalen dan bij donkere nachten,’ schrijft Minnaert. Er is bijna niets dat hem ontging.

Minnaert, die in 1970 stierf, heeft nog net meegemaakt dat de maan door astronauten werd bezocht maar hij heeft dat niet meer in zijn boeken verwerkt. Bij de AW-redactie sluimert al lang de vraag of de aarde te zien is vanaf de maan als het precies ‘nieuwe aarde’ is, dus als men vanaf de maan naar de totaal onverlichte kant van de aarde kijkt. Op aarde is de nieuwe maan, die altijd vlak bij de zon staat, onzichtbaar door de atmosferische lichtverstrooiing. Maar de maan heeft geen atmosfeer en het is aannemelijk dat de donkere aarde wel te vinden is.

Maar voor zover viel na te gaan hebben de Apollo-astronauten die tussen juli 1969 en december 1972 de maan aandeden nooit een nieuwe aarde te zien gekregen. Omdat aarde en maan op grote afstand van de zon in hetzelfde vlak om de zon draaien zijn hun schijngestalten altijd complementair. Als wij de maan ‘vol’ zien ziet men de aarde vanaf de maan juist ‘nieuw’. Maar de maan werd bijna altijd tussen eerste kwartier en volle maan bezocht. De astronauten van de Apollo 12-vlucht (november 1969) zaten nog het dichtst tegen ‘volle maan’ op de maan, zij kregen de aarde als een sikkeltje te zien. Of in dat sikkeltje ook de rest van de door de bijna volle maan beschenen aarde te zien was viel deze week niet na te gaan.

Waar Minnaert onbedoeld wel antwoord op geeft is de vraag of de astronauten van de Apollo 12-vlucht op hun duizelingwekkende reis naar de maan keken naar een maanoppervlak dat om zo te zeggen met het uur feller werd. Dat is wat je geneigd bent te denken. Maar het is niet zo. Loop vanaf een grote afstand op een door de zon beschenen witte muur af en je ziet het vanzelf, zegt Minnaert.