Louterende 'Tweede' Mahler bij Jansons

Klassiek Kon Concertgebouworkest o.l.v. M. Jansons: 4/12 Concertgebouw A’dam. Herh.: 6/12 aldaar. Radio 4: 6/12, 14.15 u. Info concertgebouworkest.nl/mahler *****

Bij het Concertgebouworkest zijn de vieringen van Gustav Mahlers 150ste geboorte- (2010) en honderdste sterfjaar (2011) deze herfst al begonnen. Daniel Harding beet pas het spits af met een weinig memorabele visie op de Eerste symfonie, de Tweede symfonie is deze week (en later deze maand in Wenen en Parijs) het domein van chef-dirigent Mariss Jansons, die in februari ook de Derde en in 2011 de Achtste voor zijn rekening neemt. De symfonieën 1, 5 , 6 en 7 leidde hij bij zijn orkest al eens; alleen een Vierde scheidt hem dus nog van een cyclus. Dat die integraal op cd zal en moet verschijnen, is onomstotelijk. Jansons visie op de Vijfde symfonie was als concert én cd een attractie, deze Tweede is dat minstens zo zeer.

De ‘methode Jansons’ laat zich daarbij niet gemakkelijk onder één noemer vangen. De ingrediënten die zijn uitvoeringen van de symfonieën van Sjostakovitsj zo onvergetelijk maakten, zijn bij voorbeeld weer andere dan die gisteravond de uitvoering van de Tweede tot een seizoenshoogtepunt maakten. Gemene delers zijn er wel; Jansons gevoel voor dramatische opbouw onder lange spanningsbogen, zijn röntgenoor voor details. Maar in Mahler toont Jansons – letterlijk wonderlijk – een andere Mahler dan die die we zo goed dachten te kennen. Weg is het in potentie schmierende gezicht van de emotionele erupties, weg de platte kant van de volkse passages. Natuurlijk, een Tweede van Mahler blijft een vijfkoppige emotionele mastodont; als luisterervaring zeer enerverend. Maar Jansons weet hoofd- en bijzaken in het orkest – in energie zo compromisloos als hijzelf – zo uit te lichten dat je ongehoorde dwarsverbanden en details ontdekt. Dat duet tussen Engelse hoorn en basklarinet boven zachte huppelcelli; klonk dat ooit zo aangrijpend?

Het effect van die aanpak is dat de Mahleriaanse grilligheid blijft, maar de werking kantelt. Je moet wel mee met Jansons op weg naar de Verlossing aan het einde; hij laat je immers horen dat het een – lachen, zuipen, wenen en weer opstaan – logisch uit het ander voortkomt. De inzet van het haast orthodox mystiek zacht zoemende Groot Omroepkoor (‘Auferstehen’) moet ten slotte wel bijzonder aangrijpend zijn en is dat ook.