Klimaattop wordt een complexe belangenstrijd

COP15, zoals de klimaattop die maandag in Kopenhagen begint per afkorting heet, moet duidelijk maken of de wereldgemeenschap in staat is een evenwichtige afweging te maken tussen lasten voor de korte termijn tegenover baten op de lange termijn.

Op de vijftiende Conference of Parties die onder auspiciën van de Verenigde Naties wordt gehouden, moeten de deelnemende landen tot concrete, controleerbare en afdwingbare afspraken zien te komen om de uitstoot van broeikasgassen als CO2 substantieel terug te dringen en het gebruik van duurzame en nu nog kostbare energiebronnen drastisch te bevorderen.

Wetenschappers zijn er wereldwijd vrijwel zeker van: het broeikaseffect is voor een belangrijk deel het gevolg van menselijk handelen. Overmatig gebruik van fossiele brandstoffen zorgt voor opwarming van de aarde, stijgende temperaturen met dreigende fatale gevolgen in de vorm van smeltende ijskappen, een gebrek aan drinkwater, rijzende zeespiegels, hier verdroging, daar extreme regenval, meer tropische stromen. De wereld staat voor de keuze om zich dit te laten overkomen en dat te combineren met drastische, en op termijn kostbare fysieke maatregelen als kustversterking die wellicht tekortschieten, of een poging te doen om het tij (enigszins) te keren. Het doel van Kopenhagen is de voorziene temperatuurstijging te beperken tot twee graden Celsius.

Op een of andere manier zal de top wel tot een succes worden verklaard. Al was het maar omdat dergelijke bijeenkomsten altijd wel tot een soort onderhandelingsresultaat leiden, en omdat de term succes vele definities kent. Hoe dan ook: de drie belangrijkste economieën, Verenigde Staten, Europese Unie en China, hebben van enige bereidheid blijk gegeven om tot afspraken te komen.

De VS, de grootste grootverbruiker ter wereld van energie, zijn bereid hun emissies ten opzichte van 2005 met 17 tot 20 procent terug te dringen. Zo veel stelt dat niet voor, maar zeker in het geval van Amerika geldt: iets is beter dan niets. Tenslotte heeft deze wereldmacht geweigerd het nog tot 2012 lopende Kyoto-protocol te te ratificeren.

De Europese Unie is bereid een ten opzichte van 1990 verminderde uitstoot van 20 of 30 procent na te streven. Nu blinkt de EU wel vaker uit in vrome voornemens, maar is ze een stuk slechter in het realiseren daarvan. Dat geldt zeker ook voor Nederland. Dus hier geldt: eerst zien, dan geloven. China wil in 2020 ten opzichte van 2005 een reductie van 40 tot 45 procent bereiken, met aftrek van zijn economische groei.

Meer van belang dan het gegoochel met percentages en jaartallen, een vast gebruik bij klimaatonderhandelingen, is de weg die China wil inslaan: energie-efficiëntie en grootschalig inzetten op zonne-energie. Dat is een goed voorbeeld voor andere opkomende economieën en voor de derde wereld in het algemeen: het gerechtvaardigde streven naar een hoger welvaartspeil zal een andere manier van energieopwekking en -verbruik vergen dan in het Westen normaal was. Zonder hulp van het Westen zal dat niet lukken.

Kopenhagen wordt dus een complexe belangenstrijd tussen rijk en arm, tussen noord en zuid, in de wetenschap dat ze het met dezelfde wereld moeten doen. Het eindresultaat kan de moeite waard zijn, maar veel belangwekkender is wat er daarna gebeurt.