Geestschrijven

Mijn leven gaat voorbij met het corrigeren van teksten, althans daar lijkt het soms op. Als de meester van groep 7 zit ik dag in, dag uit elementaire spel- en taalfouten te corrigeren. De teksten zijn alleen niet geproduceerd door kindertjes, maar door hoogopgeleide academici, studenten, promovendi, postdocs, collegae. Als het bij taal- en spelfouten bleef, was het tot daar aan toe, maar het probleem zit dieper. De teksten geven weer wat de schrijver ongeveer bedoelt, en de goede verstaander kan dat ook wel ongeveer begrijpen, maar het staat er niet precies, niet in de juiste volgorde en niet in leesbare zinnen.

Bij mijn eerste Amerikaanse postdoc was ik nog terughoudend. Die was geschoold in het Amerikaans. Was het wel gepast dat ik als Nederlander met mijn beperkte kennis van potjesengels Amerikaanse teksten ging corrigeren? Die schroom heb ik afgeworpen. Amerikanen zijn nog erger dan Nederlanders. Ik zit met een hoofdstuk voor me dat ik samen schrijf met een Amerikaanse collega. Geen zin klopt, geen alinea loopt. Nog erger zijn de teksten van de Roemeense postdoc. In het Roemeens zijn die waarschijnlijk al niet perfect, maar na haar vertaling in primitief Engels is er geen touw meer aan vast te knopen.

Om mijn medewerkers op te voeden geef ik ze een kopie van het opstel dat George Orwell in 1946 schreef: ‘Politics and the English language’ (uit: ‘A collection of essays by George Orwell’, Doubleday Anchor Books, New York, 1954). In dit opstel fileert Orwell het politieke taalgebruik. Onoprechtheid is de grote vijand van heldere taal. Zodra er verschil is tussen wat iemand beweert en wat hij werkelijk wil, gaat de schrijver instinctief lange woorden en versleten vergelijkingen gebruiken, zoals een inktvis die inkt spuit. De regels van Orwell voor heldere taal zijn simpel:

– Gebruik nooit een metafoor of uitdrukking die je vaak ziet afgedrukt.

– Gebruik nooit een lang woord waar een kort woord volstaat.

– Waar een woord weg kan, haal het weg.

– Gebruik nooit een passieve zin, waar ook een actieve past.

– Gebruik nooit een vreemd woord of wetenschappelijk jargon, als je een alledaags equivalent kunt bedenken.

– Breek liever deze regels dan een barbaarse zin te schrijven.

Die regels zijn ook bruikbaar voor wetenschappelijke artikelen. Orwell had overigens ook problemen met schrijven, al zou je dat niet zeggen als je zijn boeken leest. Een promovendus, die gesticht was door het Orwell-opstel, gaf mij na zijn promotie een facsimile-uitgave cadeau van Orwells beroemdste boek 1984. In deze enorme foliant is te zien dat Orwell eindeloos herschreef. Praktisch geen zin uit de oorspronkelijke tekst is onveranderd in de gedrukte roman terechtgekomen. Schrijven is werken, zelfs voor Orwell.

Was het proza vroeger dan beter in academische kring? Ik betwijfel het. Zo’n 35 jaar geleden gaf een student mij een verslag van zijn proeven en dat was leesbaar. Dat was ook toen al zo uitzonderlijk dat ik eerst dacht dat hij een ghostwriter in de arm had genomen. Toen hij mij had overtuigd dat hij alles zelf had geschreven, heb ik hem aangeraden om wetenschapsjournalist te worden. Aardige proeven kunnen veel studenten doen, maar een leesbaar stuk schrijven vergt een talent dat zeldzaam is, ook 35 jaar geleden, en zeker bij chemiestudenten.

Mijn advies aan de vlotschrijvende student om journalist te worden werd verontwaardigd van de hand gewezen. In academische laboratoria staat de wetenschap hoog aangeschreven en studenten willen in eerste instantie liever een tweederangs onderzoeker worden dan een eersterangs wetenschapsjournalist of ondernemer. Zo begon mijn student aan een promotieonderzoek elders. Gelukkig bedacht hij zich halverwege toen er een baan in de wetenschapsjournalistiek vrij kwam. Hij is een van de beste redacteuren geworden van het wetenschapssupplement van deze krant. Ik heb het over Felix Eijgenraam, helaas jong overleden. Zijn boek In dienst van de verwondering, interviews over natuur- en pseudowetenschappen (Aramith, 1990) blijft één van de meest leesbare en diepgravende proeven van wetenschapsjournalistiek in onze taal.

Omdat ik mijn leven lang teksten corrigeer, wind ik mij wat minder op over ghostwriters in de academische wetenschap dan de meeste van mijn collegae. Er zijn 3 vormen van geestschrijverij, de maligne, de goedaardige en de irritante. Bij de maligne vorm worden wetenschap en schrijven volstrekt ontkoppeld. Er zijn academische onderzoekers die onderzoek doen voor de farmaceutische industrie en die het opschrijven van de resultaten geheel overlaten aan hun farmaceutische geldschieters. Dat lijkt mij een idiote manier van werken. Als onderzoeker ben je verantwoordelijk voor je resultaten en dus ook voor de wijze waarop die resultaten worden gepresenteerd. Als je zelf de resultaten niet uitwerkt en opschrijft, maar dat aan je geestschrijver overlaat, is het risico van vertekening levensgroot. Bij de goedaardige vorm van geestschrijverij vraagt een auteur hulp bij het schrijven van een artikel omdat zijn zinnen niet kloppen of zijn Engels niet deugt. Soms wordt een wetenschapsjournalist ingehuurd om er iets van te maken. Daar lijkt mij niets tegen, mits de oorspronkelijke auteur verantwoordelijk blijft voor iedere zin in de eindversie van het artikel. Het is goed voor de wetenschap als artikelen begrijpelijk en leesbaar zijn. Als redacteur van wetenschappelijke tijdschriften heb ik auteurs wel eens naar zulke geestschrijvers gestuurd.

De irritante vorm van geestschrijverij wordt opgelegd door bazige tijdschriftredacties. Wie wel eens overzichtsartikelen schrijft voor pretentieuze tijdschriften, zoals Science, Nature of Cell, krijgt te maken met review editors. Die moeten opletten dat overzichtsartikelen begrijpelijk zijn voor jan en alleman en ik steun dat streven. De editors bemoeien zich echter ook met de stijl waarin reviews worden geschreven. Dat leidt tot de vervanging van kleurige zinnen door zinnen van 13 in een dozijn. Ik heb heel wat afgesteggeld met zulke geestschrijvers om te voorkomen dat de persoonlijke toets uit mijn artikelen werd weggecorrigeerd. Ik ben het eens met Marita Mathijsen: wetenschappelijk proza hoeft niet dor en stroef te zijn, zelfs als het over chemische reacties gaat.

Als columnist ben je veilig voor deze verbeterwoede, althans in deze krant. De spellingscorrector corrigeert wel eens een taalfout, en een enkele keer word ik gebeld door een redacteur die een feitelijke onjuistheid heeft gevonden, maar aan mijn zinnen wordt niet getornd. Als die niet meer lopen, laat de redactie mij lopen.