Expertdiscussie

EU moet wapenembargo tegen China opheffen

Op 30 November werd in Nanjing de twaalfde EU-China top gehouden. Wie de slotverklaring leest kan alleen het hoofd schudden. De teleurstelling over de top is echter niet China, maar de EU aan te rekenen. Als de EU waarde hecht aan een goede relatie met China en vooruitgang verlangt op belangrijke dossiers, is opheffing van het wapenembargo onvermijdelijk.

Er zijn wel een paar obstakels. Alvorens afschaffing van het wapenembargo in beeld komt, is verbetering van de mensenrechtensituatie in China noodzakelijk, zo luidt het officiële standpunt van de EU. Welnu, het is juist het wapenembargo dat ieder vruchtbaar overleg hierover in de weg staat. Bewijs dat het wapenembargo bijgedragen heeft aan een verbetering van de mensenrechtensituatie in China is flinterdun.

Sommige lidstaten werpen tegen dat de Chinese anti-afscheidingswet van 2005 opheffing van het wapenembargo onmogelijk maakt. Deze wet biedt China de expliciete mogelijkheid om geweld te gebruiken in geval van een Taiwanese onafhankelijkheidsverklaring. De EU besloot daarom in 2005 het wapenembargo toch maar niet op te geven, zo wil de officiële lezing. In feite was slechts sprake van een formalisering van jarenoud Chinees beleid. Verandering van de status-quo in de regio was en is onwaarschijnlijk. Een recente resolutie van het Europees Parlement biedt soelaas: zorg ervoor dat de EU-gedragscode betreffende wapenleveranties niet alleen politiek, maar ook wettelijk bindend wordt. De mogelijke opheffing van het wapenembargo is dan politieke realiteit.

Pieter Swieringa

Docent internationale betrekkingen aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Teruggave roofkunst

Katja Lubina tracht duidelijk te maken dat de in 2001 ingestelde Restitutiecommissie in haar adviezen afwijkt van het door de regering vastgestelde beleid (Opiniepagina, 25 november). Dit vraagt om een reactie.

Lubina stelt dat de Restitutiecommissie in het advies betreffende de collectie-Gutmann een in 1952 door de Raad voor het Rechtsherstel gedane uitspraak heeft genegeerd. Het commissie-standpunt verhoudt zich wel tot die uitspraak uit 1952. De Raad constateerde toen dat de geclaimde objecten toekwamen aan de erven Gutmann, maar overeenkomstig het toen bestaande beleid dienden de erven daarvoor de oorspronkelijke verkoopprijs terug te betalen. De Restitutiecommissie handelde overeenkomstig de uitspraak, maar constateerde dat volledige uitvoering door financiële omstandigheden onmogelijk was geweest en adviseerde om conform het nieuwe beleid de resterende objecten alsnog te restitueren, maar dan zonder financiële tegenprestatie. Dit is iets anders dan het ter zijde stellen.

Met de afwijkende motivering voor de teruggave aan de erven Goudstikker maakt de regering duidelijk dat de slotwens van Lubina („Hier is duidelijk behoefte aan stellingname en bijsturing door de regering.”) de facto al in 2006 door de regering is verhoord. Het bewijst tevens dat de regering zich het recht voorbehoudt om van commissie-adviezen af te wijken.

Tot slot: geregeld wordt de suggestie gewekt dat het Nederlandse restitutiebeleid te weinig rekening houdt met de belangen van het Nederlands openbaar kunstbezit. Vergeten wordt dat adviezen betrekking hebben op de zogenaamde NK-collectie, kunstwerken die na WO II door de geallieerden aan de Nederlandse overheid werden overgedragen met de opdracht om rechthebbenden in hun eigendom te herstellen. Objecten uit die collectie behoren dus niet tot het eigenlijke Nederlandse kunstbezit.

Rudi Ekkart

Voorzitter van de adviescommissie die tussen 1999-2004 adviseerde over het regeringsbeleid inzake restitutie van kunstwerken.

Dit zijn delen van langere expertdiscussies, te lezen via nrc.nl/expert