De stelling van Connie Palmen: Elke goede roman is een geëngageerde roman

Het lijkt wel of er een verbod is uitgevaardigd op het aanleggen van maatstaven voor wat goede en slechte kunst is, zegt Connie Palmen tegen Elsbeth Etty. „Boeken van Kluun horen niet thuis in een literaire bijlage.”

© Jorgen Krielen / Amsterdam, 28-11-2009 / Connie Palmen in gesprek met Elsbeth Etty. Krielen, Jorgen

In uw onlangs verschenen boek ‘Het geluk van de eenzaamheid’ ontvouwt u criteria waaraan een goede roman moet voldoen. Welke zijn dat?

„Een voorwaarde voor goed schrijverschap is dat je de verhalen op de korrel neemt waarmee je zelf bent opgegroeid, zodat je in de gaten krijgt hoe allerlei ficties jou hebben beïnvloed, zowel in ethisch als esthetisch opzicht. Heel mijn poëtica, mijn literatuuropvatting en leer van het schrijven draait om het immense belang van verhalen en de invloed daarvan op mensen.”

U hecht meer aan fictie dan aan de werkelijkheid?

„Als je met mijn blik debuten van grote schrijvers bestudeert, zie je dat die altijd draaien om het verlaten van de geborgenheid van de oude, bekende verhalen. Het maakt niet uit of dat een religieus of een ideologisch verhaal is, zoals bij James Joyce het katholicisme of bij Gerard Reve het communisme. Een schrijver moet vertrouwde ficties verlaten, maar daarvoor moet hij ze wel eerst kennen en weten hoe ze hem hebben geknecht en beïnvloed.”

Dus schrijvers die niet breken met hun opvoeding kunnen geen goede romans schrijven?

„Zo is het. Iedere schrijver is een emigrant en een goede roman is per definitie subversief omdat hij bestaande denkbeelden ondermijnt.”

Veel romans gaan over universele kwesties zoals liefde, verraad, angst, eenzaamheid, dood. Zijn dat ook ficties die op de schop moeten in romans?

„Behalve iets universeels en archetypisch vertegenwoordigen ook verhalen over de liefde en de dood versies van een waarheid die vaak als dé waarheid aan de man worden gebracht. Ik kant me tegen allerlei modes in het denken over wat goed is en wat fout, over hoe de liefde eruit moet zien, hoe je je moet gedragen, wat hartstocht is of het kwaad.”

Uit uw boek valt op te maken dat de functie van romans zingeving is. Is dat niet eerder een functie van religie?

„Ik beschouw fictie, alle soorten fictie, als verhalen waarmee mensen betekenis geven aan hun leven. Je kunt alleen zin verlenen aan afzonderlijke gebeurtenissen door ze met elkaar in verband te brengen, dus door er een verhaal van te maken.”

Bedoelt u een bezield verband? Uw boek eindigt met de uitspraak: ‘Meer dan ooit is het een tijd van de ziel.’

„Het woord ‘ziel’ gebruik ik zonder gêne, omdat het een verzinsel is dat iets werkelijks vertegenwoordigt, het is datgene waarmee je je onderscheidt van alle anderen, de bron van je eenzaamheid en je geluk. Dat heeft minder met mijn katholieke achtergrond te maken dan met gehechtheid aan begrippen uit de verhalen waarmee ik ben opgegroeid. Daarvan vind ik ‘ziel’ wel zo ongeveer het mooiste. Ik weet dat ik daar iedere intellectueel mee op de kast krijg, het zij zo.”

U stelt dat een goede roman niet alleen bestaande ficties dient te ondergraven, dat moet ook nog eens op een volstrekt originele manier gebeuren. Wat verstaat u onder origineel?

„Originaliteit maakt het verschil uit tussen literatuur en pulp, tussen kunst en kitsch. Dat onderscheid kan niet duidelijk genoeg worden gemarkeerd. Origineel kun je alleen zijn tegenover de traditie en bestaande denkbeelden. Originaliteit is primair een kwaliteit van het denken van een kunstenaar en dat oorspronkelijke denken vertaalt zich in een verrassende vorm en stijl.”

Sommige mensen beschouwen ‘Komt een vrouw bij de dokter’ van Kluun als kitsch, anderen vinden het prachtig. Wie heeft gelijk?

„Allebei. Ik denk niet eens dat Kluun zo’n slecht boek heeft geschreven, het heeft alleen niets met literatuur te maken. Hij handhaaft alle clichés van de liefde, trouw en ontrouw die hij vervolgens niet analyseert. De stijl is brak, elke zelfreflectie ontbreekt. Komt een vrouw bij de dokter is geen roman, het is wel een bij vlagen ontroerend, autobiografisch boek, van iemand die zijn vrouw verloor aan kanker. Ik vind de hoofdfiguur die overspel pleegt terwijl zijn vrouw stervende is, ook volstrekt niet moreel te veroordelen. Het is heel begrijpelijk wat hij doet, ik vind hem aandoenlijk. Maar ik geloof niet dat Kluun zijn werk zelf als literatuur betitelt.”

U klaagt schrijvers en uitgevers aan die pulp verkopen onder het mom van literatuur. Er zijn lezers die uw roman ‘I.M.’ niet als literatuur beschouwen en het u kwalijk nemen dat u het toch zo noemt. In dat opzicht zou u dus erger zijn dan Kluun.

„Je schrijft geen poëtica als je eigen werk niet voldoet aan de eisen die je zelf aan de literatuur stelt. Mensen die I.M. kitsch vinden, mogen mijn werk toetsen aan mijn poëtica. In een persoonlijk werk komen de ficties aan het licht waarmee personages betekenis willen verlenen aan een op zich betekenisloze wereld. In I.M. worden de ideeën van de hoofdpersonen over liefde op het hakblok gelegd. Het is nog een hele kunst om een bijna verwoestende liefde te beschrijven die niet voldoet aan het Romeo en Julia-cliché of andere dooddoeners over de liefde.”

U eist van ‘onderwijzers, leraren, wetenschappers, recensenten, professionele critici en politici’ dat zij aanwijzen wat literatuur is en wat niet. Alsof daar een objectieve standaard voor is.

„Niet een objectieve, maar wel een standaard. Met Het geluk van de eenzaamheid probeer ik criteria aan te reiken om het kaf van het koren te scheiden. Daarmee verzet ik mij tegen de nivellering van hoge en lage cultuur die tegenwoordig in zwang is.”

Ik lees vaak romans die aan alle denkbare criteria van goede literatuur voldoen en waar ik toch niets aan vind. Hoe zou dat komen?

„Dat heeft alles te maken met de stijl van een roman, met de vraag of je houdt van de stem die er uit spreekt, de klankkleur van een verstand, van een kijk op de wereld. Stijl is iets persoonlijks, je kunt nauwelijks uitleggen waarom iemands stijl je al dan niet aanstaat. Daarom zeg ik ook in mijn boek: alles wat ik hier schrijf is niet voldoende om de waarde van een roman te bepalen.”

Maar u spreekt wel waardeoordelen uit. Waarom noemt u alleen Reve, Mulisch en Nooteboom als grote Nederlandse schrijvers en bijvoorbeeld niet Grunberg en A.F.Th van der Heijden?

„Ik heb willen voorkomen dat ik mezelf opstel als een literair criticus die de scepter zwaait over het landschap van de Nederlandse literatuur, waarvan ik zelf deel uitmaak. Dus ik heb alleen de door de canon en de geschiedenis geijkte schrijvers genoemd, om te vermijden dat er een discussie ontstaat in de trant van: Palmen maakt gehakt van bepaalde auteurs.”

Dat doet u anders wel met Anton Coolen, die u als hét voorbeeld van kitsch aanhaalt. Maar diens ‘Dorp aan de rivier’ is een prachtig boek. Heeft u het gelezen?

„Misschien vroeger, maar het kan heel goed dat ik een vergissing heb gemaakt. U rekent Dorp aan de rivier tot de hoge literatuur?”

Coolen onderzoekt bestaande ficties, stelt zich op als emigrant en verwoordt de eenzaamheid die daar het gevolg van is. Hij is origineel, subversief en neemt de clichés van een afgekloven genre, de streekroman, op de hak.

„Als er een tweede druk komt van mijn boek zal ik Anton Coolen vervangen door Konsalik.”

Vindt u dat literaire critici romans ook op hun boodschap of moraal moeten beoordelen, zoals Renate Dorrestein bepleit?

„Ze hoeven er niet vies van te zijn, maar de voornaamste taak van critici lijkt me om prachtwerken van pulp te onderscheiden. Cultuurbijlagen van kranten annexeren steeds meer de lage cultuur om hun lezers te bedienen. Boeken van Kluun horen niet thuis in een literaire bijlage.”

Is dat geen snobisme?

„Iemand die de euvele moed heeft zijn poëtica prijs te geven en daarmee de criteria die hij zelf hanteert om iets goeds te maken, is daarmee van elk snobisme vrijgesproken. Het lijkt wel alsof er een verbod is uitgevaardigd op het aanleggen van maatstaven voor wat goede en slechte kunst is en op de vakkennis die ervoor nodig is om dat te mogen doen. Het is juist het ontkennen van de verschillen waartegen ik me keer.”

In uw boek veegt u de vloer aan met ‘hoogleraren, recensenten en andere bestrijders van het culturele verschil tussen hoog en laag’. Waarom noemt u geen namen?

„Omdat ik geen polemisch geschrift wilde maken. Maar ik doel vooral op Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn literatuuropvatting is populistisch: kritiekloos toejuichen wat aanspreekt omdat het volk het mooi vindt . Ik ben me rot geschrokken dat iemand met zulke ideeën hoogleraar literatuur kan zijn. Hij schijnt te willen afrekenen met het postmodernisme, maar uit zijn gebruik van termen als ‘wegdeconstrueren’ blijkt dat hij de grondlegger van de deconstructie, Jacques Derrida, niet eens heeft gelezen. Vaessens is een charlatan. Ik houd mijn hart vast voor iedere student die bij hem afstudeert.”

Zelf zegt hij dat literatuurbeschouwers die literaire criteria hanteren de roman onschadelijk maken. Hij wil dat romans maatschappelijk geëngageerd zijn en dat schrijvers en critici daarover een publiek debat aanzwengelen.

„Zo’n debat hoort thuis in de Tweede Kamer, in de columns van politieke commentatoren, in Nova en andere praatprogramma’s, maar niet in de literatuur. Dat een roman aanleiding kan zijn tot discussie is een andere zaak, dat mag buiten de schrijver omgaan en als hij zich in het debat wil mengen, is het ook prima. Ik zeg alleen dat je geen andere dan literaire eisen aan de roman zelf kunt stellen.”

Wat is er tegen geëngageerde literatuur?

„Niets. Elke goede roman is een geëngageerde roman, maar niet elke geëngageerde roman is goed. Vaessens en consorten willen van de roman een dienstmaagd van de actualiteit maken. Ze verklaren de roman op sterven na dood en zoeken een nieuwe markt voor de literatuur. Die markt is het gewone volk dat zich moet herkennen in de roman. In mijn boek zeg ik, als sneer naar de culturele populisten: elke roman is een geëngageerde roman, maar om dat te zien, moet je natuurlijk wel kunnen lezen.”

    • Elsbeth Etty