De dokter en de dood

Wetenschapsbijlage, 18-11-09

Wat bevreemding oproept in het artikel over het onderzoek van Anne Mei Thé in de NRC van 28 november is de manier waarop de interactie tussen de juristen, ethici en politici (‘een euthanasieclubje dat het debat uit handen van de dokters trok’) en de dokters wordt beschreven. Het euthanasieclubje ‘liet arts-bestuurders van de KNMG richtlijnen schrijven’, zo lees ik. Nu was ik in die jaren zo’n arts-bestuurder maar van deze gang van zaken heb ik niets gemerkt. Wel is het zo dat de KNMG in de jaren tachtig en negentig met een aantal commissies een groot aantal artsen, ethici en juristen bijeen heeft gebracht om deze moeilijke problematiek onder woorden te brengen. Dat heeft geleid tot de huidige wetgeving, de instelling van toetsingscommissies en de komst van de professionele euthanasie consulenten. Dit op uitdrukkelijk verzoek van de Nederlandse artsen.Daarmee is ontegenzeggelijk een hoop leed voorkomen. Dat daar de laatste tien jaar een duidelijke verbetering van de palliatieve zorg bij is gekomen laat in ieder geval zien dat een goed gereguleerde euthanasiepraktijk niet ten koste van palliatieve zorg gaat, en vice versa.Toetsingscommissies vooraf, zoals de VN aanraadt, acht ik een heilloos pad. Het zou de afweging die de behandelend arts en de patiënt moeten maken, en waarbij de verplichte consultatie al een waarborg biedt, eindeloos bureaucratiseren en feitelijk vrijwel onmogelijk maken. Dat past goed bij de internationale be- (en vooral ver)oordeling van euthanasie.

Rob Dillmann

Secretaris-arts van de KNMG (1990-1999)

    • Rob Dillmann Secretaris-Arts van de Knmg