Buiten is het crisis, Nederland is aan het werk

Door de recessie loopt de werkloosheid wereldwijd snel op. Nederland heeft de laagste werkloosheid van Europa. Met dank aan de deeltijdcultuur en een streng sociaal stelsel.

Op het eerste gezicht lijkt het heel wat: in één jaar steeg het aantal werklozen in Nederland met 110.000 naar 400.000. Maar vergeleken met vrijwel alle andere landen staat de Nederlandse arbeidsmarkt er niet slecht voor. Neem de Verenigde Staten, daar is 10 procent van de beroepsbevolking werkloos. In Europa is de werkloosheid inmiddels opgelopen naar 10 procent, ofwel 15,5 miljoen mensen, aldus het Europees statistisch bureau Eurostat. Koplopers op het continent zijn Letland en Spanje met ongeveer 20 procent werklozen. Oostenrijk en Nederland staan er het beste voor, met werkloosheidscijfers van respectievelijk 4,7 en 3,7 procent. Die 3,7 is overigens lager dan het percentage van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dat hanteert andere rekenmethodes en komt voor Nederland uit op een werkloosheid van 5 procent.

Goed, de werkloosheid zal ook door het naijlen van de recessie wel verder oplopen, waardoor er eind 2010 misschien wel 600.000 mensen zonder werk zitten, maar zelfs dan blijft Nederland ruim onder het Europees gemiddelde.

Het zijn niet alleen de 35.000 mensen in deeltijd-WW die de werkloosheidcijfers laag houden. En ook niet de ongeveer 30.000 jongeren die de arbeidsmarkt nog even mijden en langer doorstuderen. Beide groepen zorgen er wel voor dat de werkloosheid hier niet zo snel groeide als verwacht, maar dat kan niet het grote verschil met andere ontwikkelde landen verklaren. „Daarvoor moet je terug naar het verleden”, zegt de Nijmeegse hoogleraar comparatief arbeidsmarktbeleid Erik de Gier. „Ons uitgangspunt was erg goed: voor de crisis uitbarstte kenden we een enorm krappe arbeidsmarkt. De werkloosheid was ongekend laag en bedrijven hadden de grootste moeite om mensen te vinden. Nu het slechter gaat met bedrijven, zijn werkgevers heel voorzichtig met het ontslaan van de mensen die ze met zo veel moeite binnen hebben gehaald. Ook omdat ze weten dat er over een paar jaar weer heel hard mensen nodig zijn als gevolg van de vergrijzing.”

Dit psychologische effect kan tijdelijk zijn, waarschuwt De Gier. „Niemand kan voorspellen hoe de economie zich de komende tijd herstelt. We zijn dan wel officieel uit de recessie, maar als de groei heel langzaam verloopt, of als er een tweede recessie volgt, zullen er nog flinke naschokken komen op de arbeidsmarkt. Alleen al omdat de overheid de komende jaren flink moet bezuinigen.”

Als een meer structurele oorzaak voor de lage werkloosheid, noemt De Gier de Nederlandse deeltijdcultuur. Nergens wordt zo veel in deeltijd gewerkt als in Nederland, stelt hij. „Dat drukt de werkloosheid enorm, omdat er simpelweg meer mensen nodig zijn om hetzelfde werk te doen.”

Dat grote aantal deeltijdbanen in combinatie met een relatief groot aandeel uitzendkrachten, maakt de arbeidsmarkt flexibel, zegt ook econoom Michiel Vergeer van het CBS. „Die flexibiliteit is van groot belang, want daardoor kunnen we vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen.”

Volgens Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie in Tilburg, is het grote aantal deeltijdwerkers een erfenis uit de jaren tachtig. „Toen liep de werkloosheid heel snel op en kwam vanuit de politiek de roep om de bestaande arbeid te verdelen.” De vakbonden waren in eerste instantie tégen deeltijdwerk, omdat het geen echte banen waren in hun ogen. Van Ours: „Pas later, toen de werkloosheid een enorm probleem begon te worden, haalden de bonden bakzeil en won deeltijdwerk snel terrein. Maar in landen om ons heen zijn bonden nog steeds tegen. Dat komt ook doordat deeltijdwerk in de meeste landen weinig voorstelt. Het gaat vaak om slecht betaald en laaggeschoold werk. Terwijl we hier goede deeltijdbanen kennen en je volwaardig, leuk werk kunt doen in drie of vier dagen, is dat in andere landen vrijwel uitgesloten.”

Een andere verklaring voor de relatief lage werkloosheid schuilt volgens de arbeidsmarktdeskundigen in het feit dat Nederland geen industrieland is. „In de industrie vallen de eerste klappen bij een recessie”, zegt Ruud Muffels, hoogleraar arbeidsmarkt en sociale zekerheid in Tilburg. „Wij zijn vooral een diensteneconomie met veel banen in de zorg, het onderwijs en de overheid. Die is minder gevoelig voor conjuncturele schommelingen.”

Zijn Tilburgse collega Van Ours wijst daarnaast op het sociale vangnet in Nederland. Sinds de jaren zeventig en tachtig is de sociale zekerheid op de schop gegaan en dat heeft goed uitgepakt voor de arbeidsparticipatie, stelt hij. „Nu zijn de uitkeringen lager en moeten werklozen meer doen om ervoor in aanmerking te komen.” De basis van de sociale zekerheid is stevig, maar streng, vindt Van Ours. „De uitkeringen zijn redelijk, zeker in vergelijking met veel andere landen, maar de duur is beperkt. Werklozen moeten snel op zoek naar ander werk. De uitkering wordt verlaagd als ze niet solliciteren of aangeboden werk weigeren. In andere landen ontbreekt die prikkel, of is die minder groot.” Een actief arbeidsmarktbeleid, noemt Muffels dat.

Volgens De Gier hebben de strengere regels van de sociale zekerheid nog een dempend effect op de werkloosheid. „Veel mensen met een zogeheten vlekje hebben het momenteel moeilijk op de arbeidsmarkt. Zij vinden geen werk, nu werkgevers het weer voor het uitkiezen hebben, maar vallen niet in de officiële werkloosheidcijfers, omdat ze onder arbeidsongeschiktheidsregelingen vallen.”

Geleidelijk groeit Nederland toch naar een werkloosheid van 6 tot 8 procent, voorspelt Muffels. „De arbeidsmarkt reageert traag, omdat we een hoge mate van ontslagbescherming kennen, waardoor het meer tijd kost om het aantal werknemers aan te passen aan de verminderde vraag. We moeten dus niet te vroeg juichen.”

Dit is het eerste deel van een serie waarin correspondenten van NRC Handelsblad beschrijven hoe de werkloosheid hun land raakt. Volgende keer Spanje, waar een op de vijf geen baan heeft.

    • Patricia Veldhuis