Windmolens, auto's en varkens

Denemarken is voorbeeldig op het gebied van broeikasgassen. Toch is op die reputatie nogal wat af te dingen. „Je verzuipt hier in de beesten.”

A windmill rises over farmland on the Danish island of Samso May 20, 2008. Concerns about energy security may run high elsewhere in Europe, but on the windswept Danish island of Samso the inhabitants have achieved a decade-long target of self-sufficiency in renewable power. Picture taken May 20, 2008. To match feature RENEWABLES/DENMARK. REUTERS/Bob Strong (DENMARK) BEST QUALITY AVAILABLE REUTERS

Ga langs bij Jens Lyhne, en je begrijpt waarom Denemarken bij de klimaatopwarming zo’n grote reputatie heeft. In zijn woonkamer en keuken knetteren twee houtkachels. Hij heeft ook een zonneboiler voor warm water. In zijn tuin draait een windmolen. Op zijn huis, gelegen tussen de uitgestrekte akkers bij Hurup Thy, in het noordwesten van Denemarken, liggen zonnepanelen op het dak. Lyhne, met rond brilletje, felrode blouse en stevige buik, wekt al zijn energie zelf op. En alles ‘groen’. Zijn er zoals hij veel Denen dan?

Twijfel op zijn gezicht. „Ik ben een beetje een nerd als het op energie aankomt”, zegt Lyhne, die van beroep anesthesist is en de leiding heeft over de intensive care in een groot ziekenhuis in de buurt. Zoals hij is de doorsnee Deen niet, zegt hij, terwijl hij zijn bezoek een Deense lunch serveert met haring, zult, paté en bier.

En dat laten de cijfers ook zien. Een Deen stoot méér broeikasgas uit dan bijvoorbeeld een Nederlander. Het was in 2006 gemiddeld 13,0 ton CO2-equivalent voor de Deen en 12,7 voor de Nederlander (hierin zijn andere broeikasgassen zoals lachgas en methaan omgerekend naar CO2). Die boodschap, van het Europese Milieu Agentschap in Kopenhagen, is ontnuchterend. Hoe zit het dan met die groene reputatie van de Denen? Klopt dat beeld dan niet?

Morten Møller van het Deense Energie Agentschap in Kopenhagen vraagt het zich ook af. Die reputatie heeft volgens hem te maken met de windmolens waar het land vol mee staat. Die vertekenen het beeld dat de buitenwereld heeft. Het klopt dat die windmolens heel wat CO2-uitstoot schelen, zegt hij. Maar de uitstoot is door de groei van het autoverkeer net zo hard weer toegenomen. Ook de Deense varkensstapel is fors uitgebreid en varkensstront bevat methaan, een broeikasgas dat twintig keer zo krachtig is als CO2. Dát beeld herkent Lyhne, terwijl hij na de lunch een sigaret opsteekt. „Je verzuipt hier in de beesten.”

Of de wereld dat verhaal te horen krijgt in Kopenhagen, waar de vijftiende klimaatconferentie van de VN maandag begint? Møller laat op zijn kantoor in Kopenhagen de pr-folders zien die verspreid zullen worden. Ze gaan over de successen van Denemarken. Dat het land al 20 procent van zijn stroom opwekt via windenergie. Meer dan welk land ook. Dat de Deense economie de afgelopen veertig jaar is blijven groeien, terwijl de uitstoot van broeikasgassen gelijk is gebleven. Normaal staat economische groei gelijk aan meer industrie, meer auto’s, meer apparatuur in huis, kortom, meer CO2-uitstoot. Maar niet in Denemarken, al veertig jaar niet.

„Wij hebben zeker onze sterke punten”, zegt Peter Rørmose Jensen van het Deense statistiekbureau in Kopenhagen. „Maar cijfers kun je selectief kiezen.” Met drie collega’s heeft hij de uitstoot van broeikasgassen in Denemarken in kaart gebracht, van de periode 1990 tot en met 2007. Wat blijkt? Als je de Kyoto-regels toepast, is de jaarlijkse uitstoot min of meer gelijk gebleven (70 miljoen ton CO2-equivalent). De uitstoot door de scheep- en luchtvaart hoeft volgens het Kyoto-verdrag niet meegeteld te worden. En juist de Deense scheepvaart is met rederijen als Maersk erg groot.

Vervolg Klimaat: pagina 12

Warmte nergens beter gebruikt

Als je de scheepvaart wel zou meetellen, komt er aan CO2-uitstoot voor Denemarken jaarlijks liefst tweederde (47 miljoen ton) bij.

Denemarken heeft amper zware industrie. Eén grote cementfabriek en één raffinaderij van enig formaat. Dat is het. Vergelijk dat eens met de Rotterdamse haven, waar het vol staat met chemische installaties, olieraffinaderijen en kolencentrales. Het klopt dat Denemarken in absolute termen weinig broeikasgassen uitstoot, zegt de statisticus Jensen. Nederland stoot bijna drie keer zoveel uit. Maar er zijn ook maar 5 miljoen Denen, tegen 16,5 miljoen inwoners in Nederlanders. Gemeten per hoofd van de bevolking doet Denemarken het dus zelfs slechter.

Er valt meer af te dingen op de Deense reputatie. Denemarken heeft zijn uitstoot de afgelopen decennia in absolute omvang gelijk weten te houden; toch ligt het ver achter op de afspraken uit het Kyoto-verdrag. Het moet zijn uitstoot voor de periode 2008-2012 hebben teruggebracht tot 55 miljoen ton, een reductie van 20 procent ten opzichte van het ijkjaar 1990. Dat haalt het bij lange na niet, want het stond in 2008 nog op 64 miljoen ton. Daarom is het, net als ook Nederland, fors gaan investeren in klimaatprojecten in ontwikkelingslanden en in Oost-Europa. Tot nu toe 160 miljoen euro. De besparingen op CO2-uitstoot die daar worden behaald, mogen meegeteld worden in de nationale doelstellingen. Daardoor gaat er nog eens 3,2 miljoen ton af. Nog steeds niet genoeg om het Kyoto-doel te halen.

Het voorbeeldige Denemarken verdient in werkelijkheid die reputatie niet? Inderdaad, zegt ook Preben Maegaard, directeur van het Nordic Folkecenter, een onderzoeksinstituut voor duurzame energie in Hurup Thy. Volgens hem worstelt het land net zo hard met klimaatproblemen als veel andere landen. „Of zelfs harder.” Neem de landbouw. Nooit is er een plafond gesteld aan de groei van de varkensstapel. „Op elke Deen zijn er nu drie varkens.” Het aandeel van de landbouw in de totale uitstoot van broeikasgassen is relatief groot, 15 procent. In Nederland, ook een land met een grote veestapel, is dat 9 procent. Veranderingen laten zich in Denemarken lastig doorvoeren, zegt Maegaard. Varkensvlees is een belangrijk exportproduct. En de landbouwlobby heeft veel politieke invloed.

Nóg lastiger is het om het vervoer aan te pakken. In Denemarken is de auto even heilig als in India de koe. Heel voorzichtig overweegt Denemarken nu om, naar het voorbeeld van Nederland, rekeningrijden in te voeren.

In één opzicht kan Denemarken wel een voorbeeld voor de wereld zijn, zegt directeur Maegaard. Namelijk bij elektriciteit. Hij heeft het dan niet alleen over de vele windmolens, maar vooral over de toepassing van zogeheten warmtekrachtkoppeling, ofwel wkk. In de meeste landen wekken centrales alleen elektriciteit op. Bij dat proces komt veel warmte vrij, maar daarmee wordt nog aldoor niks gedaan. Die warmte verdwijnt de lucht in. Niet in Denemarken. Daar wordt de warmte opgevangen en gebruikt om water te verwarmen. Dat warme water gaat via een goed geïsoleerd leidingnet naar, inmiddels, anderhalf miljoen huishoudens en gebouwen, die ermee worden verwarmd en er hun baden mee vullen. Wkk-installaties gebruiken de brandstof efficiënter dan de standaard gas- en kolencentrales en stoten 30 tot 40 procent minder CO2 uit. In 1985 telde het land een handjevol wkk-installaties. Dat zijn er inmiddels 670. Ze leveren 80 procent van de warmte in Denemarken, en de helft van alle stroom. „Hierin schuilt de echte kracht van Denemarken”, zegt Maegaard.

De succesvolle toepassing van deze techniek is dan ook de belangrijkste reden dat Denemarken zijn uitstoot de afgelopen decennia gelijk heeft weten te houden, en niet heeft zien stijgen.

De combinatie van wkk-installaties en stadsverwarming is nooit primair aangelegd om het klimaat te beschermen. De aanleiding stamt uit 1973, toen de eerste oliecrisis uitbrak. Die pakte voor Denemarken desastreus uit. Het land was voor 90 procent van zijn energievoorziening afhankelijk van geïmporteerde olie. De schok was groot toen de olieprijzen de hoogte in schoten. „Dat heeft een golf aan maatregelen in gang gezet”, zegt Møller. Denemarken ging zijn eigen olie- en gasreserves in de Noordzee aanboren. Energiebesparing werd belangrijker. De elektriciteitscentrales stapten van olie deels over op kolen, later ook op gas en biomassa. De centrales gingen niet alleen elektriciteit, maar ook warmte leveren. Vooral uit oogpunt van zuinigheid en energiezekerheid, zegt Møller. „Het klimaat kwam pas veel later in beeld.”

Nu het klimaat een veel prominentere rol opeist, beseft de Deense regering dat er meer moet gebeuren om de CO2-uitstoot terug te dringen. Daarom zijn er ambitieuze maatregelen getroffen. Vanaf volgend jaar mogen alle nieuw gebouwde huizen en kantoren in Denemarken nog maar driekwart van de energie verbruiken vergeleken met de norm op dit moment. In 2015 mag dat nog maar de helft zijn, en in 2020 nog maar een kwart.

Brussel herziet op het moment de regels voor energiebesparing in de bouw, maar zal naar verwachting voor 2020 een reductie eisen van hooguit 20 tot 30 procent, ver onder de lat die Denemarken legt.

Waar die Deense ambitie toe leidt is in Kolding te zien, een middelgrote stad in het zuiden van Denemarken. Op een industrieterrein staat een gloednieuw kantoorgebouw, met veel glas en hout. Het voldoet nu al aan de Deense energie-eisen voor 2015, vertelt Ole Faurby van bouwbedrijf NCC. De gemeente wil meer van zulke kantoren gebouwd zien. En er zijn meer van zulke ambitieuze plannen. In het zuiden van de stad moet binnen een jaar of vijftien een nieuwe wijk verrijzen voor 2.500 bewoners. ‘Design City’ heet het, een hippe, klimaatneutrale wijk die ontwerpers uit de hele wereld moet aantrekken. Met veel fietspaden, woningen die weinig energie verbruiken en met een tuin op het dak, en een groot park en een haven voor 1.300 zeilboten.

Parkeren in het centrum van Kolding moet duurder worden. Er liggen plannen om de fietspaden uit te breiden en om het openbaar vervoer te verbeteren. In 2021 moet de CO2-uitstoot van de stad met 75 procent zijn geslonken. Dat is aanzienlijk meer dan de meest ambitieuze stad in Nederland, Rotterdam, dat in 2025 zijn CO2-uitstoot met de helft wil hebben verminderd.

Het zal nog een harde noot worden om te kraken, zegt Merete Valbak, klimaatcoördinator bij de gemeente Kolding. Wie ruilt zijn auto in voor de fiets? Zeker in deze stad. „Het zijn hier niet de Alpen, maar we hebben toch stevige heuvels”, zegt Valbak. En durft de gemeente de autorijder wel zo te beknotten in zijn of haar vrijheid? Het definitieve besluit over de plannen is onlangs uitgesteld. Zo gaat het steeds, zegt Valbak. Stappen vooruit duren lang. De gemeente Kolding is bijvoorbeeld betrokken bij een Europees project voor zuinige apparatuur. Maar alleen al het besluit op welke apparatuur het project zich zal richten, duurt tijden. „Wij vinden dat het over verlichting moet gaan, maar de Zweden bijvoorbeeld hebben het liever over wasmachines.”

Møller van het Deense Energie Agentschap vraagt zich zelfs af of het klimaatprobleem wel onder de bevolking genoeg leeft. „Ik denk dat veel mensen zoiets hebben van: wat gaat het mij aan? Misschien dat de zeespiegel gaat stijgen, maar dat leidt vooral in landen als Bangladesh tot problemen.” Hij weet dat menselijke gedragspatronen diepgeworteld zijn en maar moeilijk veranderen.

Alsof zij zelf niet in de goede afloop van haar maatregelen gelooft, treft de Deense overheid alvast voorbereidingen voor het toenemend aantal stormen, voor meer neerslag in herfst en winter, en meer droogte in de zomer, en voor een eventueel stijgende zeespiegel. Her en der worden huizen aan de kust al op palen gebouwd. Er ligt een plan om de dijken te renoveren en op te hogen. Rampenploegen worden getraind om sneller op de plek des onheils te zijn.

In Hurup Thy laat Jens Lyhne zijn schuur zien, waar het hout voor zijn kachels hoog ligt opgestapeld. Hij heeft ook een Volkswagen Lupo, een van de zuinigste auto’s ter wereld. Als mensen maar willen, kunnen ze volgens hem heel wat bereiken. Maar: „Zolang ze naar de Caraïben kunnen vliegen, zullen ze dat blijven doen.”

    • Marcel aan de Brugh