Wij willen geen Manhattantje

Architectuurcritici houden zich verre van het neotraditionalisme, ‘het romantisch wonen’. Of ze brengen het in verband met het populisme. Is dat terecht? Of ligt het veel complexer?

Hans Ibelings en Vincent van Rossem: De nieuwe traditie. Continuïteit en vernieuwing in de Nederlandse architectuur. SUN, 270 blz. € 32, 50

Eindelijk is er een boek verschenen over een verschijnsel dat Nederland als een tsunami heeft overspoeld. In De nieuwe traditie staan tientallen gebouwen, woningen, buurten en zelfs hele wijken in min of meer traditionele bouwstijlen die de afgelopen vijftien jaar overal in Nederland, van Groningen tot Domburg, zijn gebouwd. Blijkens de vele foto’s en ontwerptekeningen hanteren de auteurs en samenstellers van het boek, de architectuurhistorici Hans Ibelings en Vincent van Rossem, een brede definitie van ‘nieuwe traditionele’ architectuur. De gebouwen – vooral woningen – variëren van Dudok-imitaties van Mulleners + Mulleners in Hilversum tot het nu bijna voltooide Hotel Intell van Molenaar & Van Winden in Zaandam, een doldwaze, pop- artachtige opeenstapeling van voornamelijk groen-witte Zaanse-Schanshuisjes.

Maar De nieuwe traditie is meer dan een plaatjesboek. Met hun niet al te lange essays hebben Ibelings en Van Rossem de ‘nieuw traditionele’ architectuur van een begin van een theorie voorzien. In zijn vijfdelige artikel ‘De nieuwe traditie’ laat Ibelings zien dat veel van de architectonische middelen waarmee oude, geliefde landschappen, steden, dorpen, buurten en woningen zijn gemaakt nog steeds bruikbaar zijn in de 21ste eeuw. In ‘Van alle tijden’ geeft Van Rossem een uitstekend overzicht van de belangrijkste boeken over traditionalistische én modernistische architectuur uit de 20ste eeuw, van Camillo Sitte’s Der Städtebau nach seinen künstlerischen Grundsätzen (1889) via Siegfried Giedions Space, Time and Architecture (1941) tot Stadtraum in Theorie und Praxis (1975). Zijn artikel laat zich lezen als een beknopte alternatieve architectuurgeschiedenis van de 20ste eeuw, waarin de nadruk gewoonlijk nog altijd ligt op het modernisme.

Het laatste stuk van het boek, ‘Geschiedenis’ van Ibelings, doet hetzelfde, voornamelijk in beelden. Een korte tekst en een lange reeks zwart-witfoto’s laten zien dat het traditionalisme in de 20ste eeuw tot eind jaren vijftig bloeide in Nederland om vervolgens een onderstroom te worden in de modernistische hoofdstroom. In de jaren zeventig en tachtig moest het traditionalisme het hebben van incidenten, ontworpen door excentrieke eenlingen. Maar in de jaren negentig maakte het een comeback waarop een bloeitijd volgde die, getuige alle traditionalistische ontwerpen die nog gebouwd moeten worden, ondanks de crisis in de bouw nog wel even zal aanhouden.

Dat het zo lang duurde voor er een overzichtsboek van het nieuwe traditionalisme verscheen, komt doordat het hier om een fenomeen gaat ‘dat lange tijd door een elite is tegengehouden’, zoals de Duitse architectuursocioloog Werner Sewing in 2006 vaststelde in deze krant. ‘Al in de jaren negentig bestond er een spanning tussen wat avant-gardisten als Rem Koolhaas en MVRDV maakten en wat veel Nederlanders wilden’, vond Sewing, die de Nederlandse architectuur met een zekere distantie had gevolgd. ‘De Nederlandse avant- gardisten speelden graag Manhattantje. Ze maakten grote gebouwen, flinke volumes met modieuze uitsteeksels. Maar dat kwam niet overeen met de Nederlandse hang naar kleinschaligheid. Die spanning wordt nu opgelost. Maatschappelijke tendensen laten zich niet langdurig negeren. Neotraditionalisme is onvermijdelijk.’

Maar ook al was het nieuwe traditionalisme onvermijdelijk, de weerzin van de meeste Nederlandse critici en architecten is gebleven. Plannen voor boeken over deze stroming hoeven bijvoorbeeld nog steeds niet te rekenen op subsidie van het Stimuleringsfonds voor Architectuur – en zonder subsidie verschijnt bijna geen architectuurboek in Nederland.

Ook Van Rossem signaleert in ‘Van alle tijden’ de aanhoudende kritische weerzin tegen het neotraditionalisme. ‘Hoewel het nationale jaarboek Architectuur nog altijd doet voorkomen dat het ‘supermodernisme’ van een handvol radicalen domineert, kan iedereen met eigen ogen zien dat het traditionele huis in nieuwbouwwijken de toon zet’, schrijft hij. ‘Helaas gaat de zegetocht van het romantische wonen gepaard met snelle vervlakking van de architectonische vormentaal’, voegt hij er somber aan toe. Wie sommige gebouwen in De nieuwe traditie ziet, moet Van Rossem gelijk geven. Vooral als nieuw-traditionele architecten zich wagen aan het classicisme, zijn de gevolgen rampzalig. Het huis met de bordkartonnen timpaan en staafvormige zuilen zonder kapitelen in Eibergen van Friso Woudstra architecten doet pijn aan je ogen – zo grof en lomp is het classicisme hier toegepast.

Romantisch

Van Rossem ziet hier een taak voor de kritiek: ‘De architectuurkritiek zou een nuttige bijdrage kunnen leveren door het romantische wonen in een historische context te plaatsen en serieus te bespreken.’ Maar tot nu toe houdt de kritiek zich verre van het neotraditionalisme. En als critici het wél aan de orde stellen, dan brengen ze het onmiddellijk in verband met populisme. Zo zag de grafisch ontwerper Daniel van der Velden in een lezing voor het symposium ‘Vox Populi. De Populistische Verbeelding’ in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (CS 12.06.09) de nieuwe woonkastelen van Sjoerd Soeters en andere architecten in de Bossche vinexwijk Haverleij als een uiting van het populisme van Fortuyn, Wilders en Verdonk in de architectuur en vormgeving. Hij volgde een even simpele als gemakzuchtige redenering: in het begin van de 21ste eeuw kwamen ‘populistische’ politieke partijen als LPF en PVV op én bloeiden de neotraditionalistische architectuur en vormgeving, dus heeft het een met het ander te maken.

Door het als populistisch te bestempelen, wordt het neotraditionalisme tot een ‘fout’ fenomeen verklaard dat geen serieuze aandacht en hoogstens bestrijding verdient. In werkelijkheid is de verhouding tussen populisme en architectuur veel complexer. Dit bleek bijvoorbeeld uit de discussie over de door Molenaar & Van Winden ontworpen en nog altijd niet voltooide Essalam Moskee in Rotterdam die ook in De nieuwe traditie staat. Niet alleen Fortuyn-politicus Marco Pastors maakte bezwaar tegen deze traditionalistische, ‘onaangepaste’ uiting van islamitische architectuur, toen hij als wethouder van Rotterdam de eerstesteenlegging van de Essalam-moskee in 2003 meemaakte. Ook de jonge architecten van Memar.dutch, Abdeluahab Hammiche en Ergün Erkoçu keurden het ontwerp af. Een heimwee-moskee noemden ze het.

De jonge islamitische architecten kwamen met een alternatief: de poldermoskee. In tegenstelling tot de Essalam-moskee met zijn koepel en minaret is de poldermoskee een modernistisch, strak gebouw, dat sprekend lijkt op het nooit gebouwde Paleis der Sovjets van de Russische constructivist Moisej Ginzburg uit 1932. Pastors gaf de voorkeur aan het Paleis der Sovjets boven de neotraditionalistische, ‘onaangepaste’ Essalam-moskee: in Rotterdam gaat populisme samen met neomodernisme.

Projectontwikkelaars

Het neotraditionalisme brak in de Nederlandse architectuur bovendien al jaren eerder door dan het populisme in de politiek. Niet populisme, maar veranderde verhoudingen in de Nederlandse woningbouw zijn dan ook de oorzaak van de bloei van het neotraditionalisme. In 1994 werden de woningbouwverenigingen en woningcorporaties verzelfstandigd en werd hun rol in de woningbouw grotendeels overgenomen door projectontwikkelaars en andere commerciële bouwers. Die bouwden, meer dan de woningbouwverenigingen gewoon waren, ‘voor de markt’, zoals ze het zelf noemden. En de markt, huurders en woningkopers dus, houden van traditionele architectuur, zo ontdekten de nieuwe woningbouwers, en hebben er na vijftien jaar nog steeds geen genoeg van.

In ‘De nieuwe traditie’ legt Ibelings uit hoe het komt dat het neotraditionalisme zo populair is bij nieuwbouwwoningkopers. Het biedt niet de schok van het nieuwe, maar de schok van de herkenning, schrijft hij. Door oude, beproefde middelen uit de architectuurgeschiedenis te gebruiken, bieden nieuw-traditionele huizen geborgenheid, comfort en zelfs troost. Zo vormen ze een tegenwicht voor een globaliserende wereld die wordt gekenmerkt door instabiliteit en onzekerheid. ‘In Nederland is de teneur maar al te vaak om het wiel opnieuw uit te vinden, om het hoe dan ook anders te doen dan voorheen, en vooral geen lering te willen trekken uit het verleden’, schrijft Ibelings. ‘En dat terwijl er na eeuwen van stedenbouw en architectuur zoveel ervaring is, zo’n groot repertoire aan voorbeelden dat het niet meer dan logisch is om daaruit te putten.’

Dit maakt het neotraditionalisme tot een conventionele en zeker ook conservatieve architectuur. Maar conservatisme is een respectabele overtuiging en iets anders dan populisme: niemand zou J.L. Heldring, de éminence grise van het Nederlandse conservatisme, tenslotte durven betichten van Wildersiaans populisme.

    • Bernard Hulsman