Wat te doen na de val van het Zweedse 'Volkshuis'?

Johan Harstad: Hässelby. Het demonteren is begonnen. Vertaling Paula Stevens. Podium, 350 blz. € 19,50

Een oude man gaat op een regenachtige septemberavond de straat op. Hij wordt geraakt door een vrachtwagen. De man overlijdt en zijn zoon, de 42-jarige Albert Åberg, ontruimt het appartement waarin ze jaren in een beklemmende symbiose hebben geleefd.

Zo begint de nieuwe roman Hässelby van de Noorse auteur Johan Harstad (1979). De ondertitel Het demonteren is begonnen is niet alleen een klankvariatie op ‘dementeren’ (de vader dementeert), maar heeft een vérstrekkende lading, vooral voor Scandinavische lezers: Hässelby is een troosteloze voorstad aan de westkant van Stockholm, gebouwd in de jaren vijftig als toonbeeld van de Zweedse verzorgingsstaat. Dit geëngageerde, kritische boek toont het failliet van de idealen van destijds.

In meeslepende, ruig geschreven scènes schetst Harstad een ontluisterend beeld van vader en zoon die extreem op elkaar zijn aangewezen. Er is geen moeder; meteen na de geboorte van Albert dumpte zij het kind bij de vader en verdween. De dood van de vader betekent een bevrijding voor de zoon. Zijn eerste daad als vaderloze is het leegruimen van het huis.

Vader was een overtuigd sociaal-democraat die heilig geloofde in het Zweedse model van de welvaartsstaat, het ‘Volkshuis’, ‘Folkhemmet’, het ‘huis voor iedereen’. Harstad is een meesterlijk bedenker van slimme, krachtige typeringen, zoals deze over vaders geloof in een volksverheffend partijprogramma: ‘Mijn vader daarentegen was zo stevig verankerd in de Volkshuis-gedachte dat hij er tot zijn achtste van overtuigd was geweest dat de sociaal-democraten een dak en muren om heel Zweden hadden gebouwd en zo Het Volkshuis tot een thuis hadden gemaakt dat alle Zweden herbergde, en dat je daarom elk van hen als een broer of zus moest behandelen.’ In 1986 kwam met de moord op premier Olof Palme de grote deceptie voor de vader. Het is niet toevallig dat die in de buurt van de plek waar Palme werd neergeschoten, ook de dood vindt.

Zoon Albert Åberg probeert zijn leven nieuwe betekenis te geven, maar dat mislukt telkens weer. Hij kan simpelweg niet leven zonder het referentiekader dat zijn vader hem altijd bood. Zijn dagen slijt hij als magazijnbediende in een winkel voor ijzerwaren, ‘een crèche voor mannen van middelbare leeftijd’. Tegenover deze eentonigheid staan de wervelende herinneringen aan de jaren tachtig, toen Albert met een vriend per trein kriskras door Europa reisde en zelfs in Hongkong terechtkwam als tolk van een zakenman met een heilig geloof in Star Wars-speelgoed. Deze man had, net als Alberts echte vader, een naïef geloof in het nieuwe, in de toekomst.

Toch keert Albert terug naar Stockholm. In de Zweedse hoofdstad begint voor hem nu ook het ‘demonteren’, oftewel het desintegreren. Raadselachtige gebeurtenissen kruisen zijn pad. Als hij een appartement bezoekt dat al jaren leeg staat, blijkt er een geheimzinnig licht te branden dat nergens vandaan kan komen. Muziek van The Police trekt hem af en toe uit de lethargie. Hij maakt een doelloze tocht langs appartementen van vrienden, probeert greep te krijgen op raadsels, demonen die hem kwellen met zinloze gedachten achtervolgen hem. Hij leest op maniakale wijze krantenberichten over vliegvelden, startbanen, over de nakende ondergang van de wereld.

Er wordt veel gereisd in Hässelby: vrienden rijden weg in auto’s en keren nooit terug. Deze prachtige, soms ontroerende roman, ook nog prachtig vertaald door Paula Stevens, is een litanie van afscheid.

Aan het slot volgt een onverwachte epiloog: Harstad onthult dat hij zijn hoofdpersoon gemodelleerd heeft naar het jongetje Alfons Åberg, de in Zweden beroemde kleine held uit de kinderboeken van Gunilla Bergström, gepubliceerd sinds 1972. Ook dit jongetje woont bij zijn vader. Geen spoor van de moeder. Niet alleen boeken, ook tekenfilms hebben hem voorgoed een plaats gegeven bij de Scandinavische jeugd. Hij is altijd moedig, monter, eeuwig vijf of zes jaar en draagt een gebreide trui en korte broek.

Hässelby laat het negatief zien van deze kinderheld, aldus Harstad in de epiloog. De tijd van optimisme en vooruitgangsgeloof is voorbij. We hebben het geloof in saamhorigheid opgegeven, aldus de auteur. En ‘we wenden ons af als we op elkaar op straat tegenkomen’. De zoon heeft het idealisme van zijn oude vader dus nooit kunnen vergeten.

    • Kester Freriks