Voor altijd vast in de New Electric Ballroom

Theater The New Electric Ballroom, door het Nationale Toneel. Gezien 3/12 NT-Gebouw, Den Haag. Aldaar en in Amsterdam t/m 16/1. Inl: nationaletoneel.nl ****

Na te zijn afgewezen door hun grote liefde, hebben twee zusters veertig jaar lang de tijd stilgezet. Ze blijven binnen en spelen telkenmale opnieuw de afwijzing na: het geluk van de grote verwachting, de venijnige zusterjaloezie, en het moment van de ontgoocheling. Een visboer wordt gevangen genomen. Hij moet het goedma ken door, verkleed als de rocker, het derde zusje te verleiden. Maar ook hij kan de cyclus van zelfkwelling niet doorbreken.

Het plot van The New Electric Ballroom, een toneelstuk van de Ierse schrijver Enda Walsh (1967), heeft de aangenaam herkenbare klank van een oerverhaal, en van een stilstaand drama. Dat past goed in het oeuvre van de Duits-Nederlandse regisseur Susanne Kennedy, die zich in de kleine zaal van het Nationale Toneel ontwikkelt van veelbelovend huisprovocateur tot belangrijk regisseur. Ook in eerdere stukken sloot zij de personages op in een gesloten, vervallen ruimte, waar ze met rituele handelingen het drama van hun leven moeten herbeleven. De mens als gevangene van zijn verleden.

In dit geval is de ruimte een hoge huiskamer zonder deuren of ramen, met donkerhouten lambrisering en zeegroene muren. Overgestileerde lelijkheid en verval is een ander kenmerk van Kennedy’s prille oeuvre. Vooraan staat een roze pudding, en een televisie waarop een bevroren beeld uit de film The Wizard of Oz is te zien: Dorothy en haar vrienden lopen richting Emerald City. De slotscène uit die film speelt hier een belangrijke rol: Dorothy verlaat de Technicolor toverwereld van Oz omdat ze liever terugkeert naar haar zwartwitwereld: een crisisboerderij in Kansas. Want: „There’s no place like home.”

De heksachtige zusters vol levensangst worden treffend laconiek gespeeld door Nettie Blanken en Juul Vrijdag; als oudere dames die hun stevige lijven in meisjeskleding hebben geperst. Cigdem Teke, als het toeschouwende derde zusje, heeft een enorme laag make-up op, om haar ouder te maken. Blauwe poppenjurkjes, koperkleurige bobkapsels. Kennedy omschreef ze zelf als bewoners van een „eng poppenhuis”. Hangerig repetitief voeren zij hun verleidelijk bedoelde bewegingen uit: grepen in het kruis, opgetilde rokjes, uitdagende dansjes.

Op een sokkel aan de achterwand, vastgebonden in een tuigje, staat Jochum ten Haaff lijdzaam toe te kijken, als de gevangengenomen visboer. Als hij van zijn sokkel mag, om met een washandje te worden gewassen door Nettie Blanken, om vervolgens zijn gedrongen gestalte in een te groot rock ‘n’ roll pak te hijsen, komt de voorstelling even in beweging. De drie heksjes en hun prooi tonen raak de geestige naargeestigheid die Kennedy zoekt.

    • Wilfred Takken