Sinterklaas en het zoele zuiden

November ’t laatst, maar even toch, door storm en sneeuwjacht heen,

Was ze uitgewipt naar Moeders huis, met overhaaste schreën.

Men knorde op ‘t onvoorzichtig kind, zij - kuchte met een lach…...

Doch ’s avonds van dat wit gelaat, ontroerde wie haar zag.

Het haantje van den toren, P.A. De Génestet, december 1857.

Je ziet het meteen aan vier woorden inclusief het pauzestreepje: ‘zij – kuchte met een lach…’. Die gaat dood. Het kan nog even duren (het duurt 40 strofen), maar daar helpt geen moedertje lief meer aan. Tbc, de ziekte van de 19de eeuw.

Je hebt late patiënten gehad. Mijn vader bijvoorbeeld, die heeft pas in 1912 in Davos gelegen, ongeveer gelijk met Katia Mann: op Der Zauberberg. Katia was er dus ook niet vroeg bij.

Veel te laat was eigenlijk George Orwell, die in 1946 een onherbergzame plek zocht om 1984 te voltooien, en voor wie David Astor, uit de krantenfamilie (The Observer) het eiland Jura voor de Schotse kust uitkoos. Het had onherbergzamer gekund: er was sprake van een warme golfstroom. Maar tussen het schrijven door reed de beroemde schrijver op een tweedehandsmotorfiets zonder wolletje of das over het eiland om brood te kopen bij de enige kruidenier. Niet gezond natuurlijk voor iemand met aanleg.

In 1950 stierf hij in Londen aan de gevreesde ziekte. Maar het boek was klaar. In een Britse zondagskrant las ik onlangs een stuk over z’n laatste weken en maanden. Kop: The book that killed George Orwell. Het eiland had gelukkig niet de schuld gekregen.

Hoe kom ik nou ineens bij tuberculose? Niet dat ik er niet vaak aan terugdenk, dat wil zeggen aan mijn vader die ‘het’ had gehad. En dat schijnt nooit voorbij te gaan. Hij was op zichzelf genezen genoeg om na de Zwitserse kuur nog drie kinderen te maken, maar ik weet nog uit mijn jongetjesjaren dat hij een paar keer per jaar bloed opgaf, wat ik met een schok van herkenning terugvoelde in Haus ohne Hüter van Heinrich Böll, die zich de angst herinnerde als zijn grootmoeder, ook een paar keer per jaar, BLUT IM URIN riep. En daar kwam bij mij de ‘avondlucht’ nog bij. Ik heb tot m’n achtste geloofd dat de vriendelijke hemel van overdag na zonsondergang in z’n geheel werd vervangen door een levensgevaarlijke lucht waaraan zeker mijn vader zich, ook als de mussen van het dak vielen, alleen mocht blootstellen als hij een winterjas had aangetrokken.

Maar de ware reden is dat ik deze week op de Forumpagina van de Volkskrant een column las die helemaal in Sinterklaasrijmen was opgesteld – ook een behoorlijk eind. Zo kwam ik op Frans-Jozef van Thiel die Kamervoorzitter was in de jaren zestig (hij heeft de Nacht van Schmelzer nog helemaal moeten afhameren), en op sinterklaasmiddag de vergadering schorste met een zelfgemaakt gedichtje, waarna het parlement verlof kreeg om cadeautjes te kopen.

Is er morgen nog ergens een nieuwsbericht berijmd? Dat was toentertijd heel gewoon. Provo was al aan de gang, Roel van Duijn werd scherp in de gaten gehouden door de BVD, maar de rest van Nederland rijmde er lustig op los.

En nu komt het. Het haantje van de toren van P.A. de Génestet (‘Niet het minste dient gelet op de grote Génestet’, rijmde Cornelis Paradijs, geen familie van Sjuul), had ik ineens verward met De Sint-Nikolaasavond, ook van De Génestet, ook verschrikkelijk lang (bijna honderd strofen!), maar er gaat niemand dood, november stormde niet.

In de laatste regels van ’t Haantje gloort nog bleke hoop op het kerkhof:

Naar ’t Haantje van den toren keek, met droeven glimlach, één:

’t Blonk in de blauwe lucht en wees naar ’t zoele Zuiden heen.

Hè ja.

Jan Blokker

    • Jan Blokker