Sint-Nicolaas

Wat deed Sint-Nicolaas toch steeds bij die tobbe met drie blote jongetjes?

Het was een oneerbiedige vraag, maar hij kwam onvermijdelijk bij me op, terwijl ik de tentoonstelling over Sint-Nicolaas in het Museum Catharijneconvent in Utrecht bezocht. Een leuke tentoonstelling voor jong en oud: jong mag er educatieve spelletjes doen, oud kan zich verdiepen in de geschiedenis.

Ik wist zo goed als niets van de Sint af, of ik was het vergeten. Al snel viel me op dat twee legenden over hem steeds weer terugkeren in teksten en op schilderijen. In het ene verhaal redt hij drie meisjes in een huis door ze ’s nachts ieder een zak goud via het raam toe te werpen. Om ze aan een bruidsschat te helpen, zodat ze een leuke jongen konden betalen en zodoende – dat las ik elders – uit de prostitutie konden blijven.

Het andere verhaal vertel ik even na in de woorden van de kleuterjuf die het in Utrecht aan een schare ademloos luisterende kindertjes vertelde.

„Drie kleine jongens gingen naar een herberg. De herbergier was een nare man, hij slachtte de jongens, sneed ze aan stukjes en stopte ze in een pekelvat. Zeven jaar later kwam de Sint langs. Hij wilde graag een broodje met vlees. Uit de kelder, zei hij erbij. Die herbergier dacht: hoe kan hij weten dat er vlees in de kelder zit? De Sint ging zelf naar beneden, hij zag die tobbe met vlees en hij begon te bidden. Weten jullie wat bidden is? Nee? Bidden doe je als je iets wenst. Nou, de Sint wilde dat die jongetjes weer tot leven zouden komen. En dat gebeurde ook.”

Het nadeel van zo’n verhaal is voor het kind misschien dat het nooit meer pekelvlees wil eten en voortaan in elke hotelhouder een soort Dutroux ziet, maar voor spannende legenden moeten we iets overhebben.

Eigenlijk is die hele Nicolaas één grote legende. Behalve dat hij in de vierde eeuw bisschop van Myra in Klein-Azië (nu Zuidwest-Turkije) was, weten we vrijwel niets van hem af. We hebben hem daarom maar verder verzonnen. In dit opzicht ben ik als publicist erg jaloers op Jan Schenkman, een ex-onderwijzer uit Amsterdam, die in 1850 via een simpel kinderboekje met gedichten en tekeningen Sinterklaas een compleet nieuwe dimensie gaf. Schenkman introduceerde de stoomboot uit Spanje en zelfs de Zwarte Piet.

Kijk, dan heb je nog eens iets bereikt met je boekje.

Want onderschat de Sint niet: hij heeft ons tot in de somberste tijden troost geboden. In Ons’ Lieve Heer op Solder, het museum op de Amsterdamse Wallen, is te zien hoe de sinterklaasviering ook tijdens de Tweede Wereldoorlog doorging. Er liggen gedichten en tekeningen uit die tijd. Eén zo’n gedicht hadden onderduikers, ondergebracht bij het gezin van Jo Cals (de latere minister-president) in Nijmegen, in 1944 geschreven. Ik citeer drie strofen:

Een anti-duitsche advocaat

woont in de Wilhelminastraat

scherp onderscheidt hij waar en valsch

het is de kleine mr. Cals

Ondanks SS’ers naast de deur

ging mevrouw Cals gewoon haar gang

voor mof, SS, noch Wiebe bang

De Zwarte Piet der illegalen

gaat nu iets uit zijn waschzak halen

jam en kaas als boter zo malsch

voor Jo en Truus en Gidi Cals

    • Frits Abrahams